
Mijn handen omklemmen nog steeds het stuur, mijn knokkels spierwit.
Iemand tikt tegen het raam. Een politieman kijkt onderzoekend naar binnen.
Ik haal diep adem en druk op het knopje van de raambediening.
Voordat de zijruit helemaal omlaag is, spreekt hij me aan.
‘Gaat het goed met u? Bent u gewond? Heeft u ergens pijn?’
Ik recht mijn rug, rol met mijn schouders.
‘Nee, nergens pijn. Ben alleen geschrokken.’
‘Stapt u maar uit. Hoe is uw naam? En uw papieren, alstublieft.’
Terwijl ik mijn rijbewijs en de autopapieren pak, opent de agent mijn portier.
Naast de auto houdt hij mijn arm vast. ‘Gaat het, meneer?’
Zelf staan lukt me prima, zijn bezorgdheid is overbodig.
Ik zie dat mijn auto slechts één centimeter achter die van mijn voorganger tot stilstand is gekomen.
Kort daarvoor had ik, na een bizar incident, mijn rit huiswaarts hervat. Onderweg bleef het gebeurde door mijn hoofd spelen. Daardoor reageerde ik zojuist minder alert toen de auto vóór mij op zijn voorganger botste.
Ik ging vol op mijn rempedaal staan, klemde beide handen om het stuur en wachtte met dichtgeknepen ogen op de klap.
Die kwam niet.
Mijn hart zat in mijn keel. Geruime tijd bleef ik zo zitten.
De politieman wijst naar mijn ingedeukte motorkap.
‘Ziet er niet goed uit, meneer, dat moet een beste klap zijn geweest. En u zegt nergens last van te hebben? Zeker weten? Anders roep ik de ambulance alsnog op.’
‘Nee, agent, ik heb echt nergens last van. Geen ambulance nodig. Trouwens, die auto voor mij heb ik niet eens geraakt.’
Met opgetrokken wenkbrauwen knikt hij naar mijn motorkap.
‘En dat dan? Was dat vanochtend al?’
‘Niet toen ik van huis vertrok.’
‘Sorry meneer, dat vind ik niet geloofwaardig. Mijn collega’s en ik worden naar een aanrijding met meerdere voertuigen gestuurd. Ter plaatse zien we enkele auto’s met schade, inclusief de achterste. En u zegt doodleuk dat uw wagen vanochtend nog geen deuk had, dat u uw voorganger niet heeft geraakt en toch heeft uw voertuig schade aan de voorzijde. Hoe verklaart u dat?’
‘Er zat vanmiddag een olifant op mijn auto. Ik reed …’
Het gezicht van de politieman komt dichterbij.
‘Wat? Zat er een olifant op uw auto? Moet ik dat geloven? Ik kan u beter een ademtest afnemen, meneer!’
‘Echt waar, agent. Ik was op weg naar huis en onderweg kwam ik door een dorp. Op posters langs de weg zag ik dat daar een circus komt. Ter promotie hielden ze vandaag een optocht met muziek, clowns, kamelen en acrobaten. Als laatste in de optocht liep een olifant. Daar reed ik stapvoets enkele meters achter. Opeens stopten ze, dat merkte ik net te laat. Ik remde nog, maar mijn auto tikte heel zachtjes die olifant aan, precies in de knieholte. Het beest zakte door zijn achterpoten en gleed met zijn derrière via mijn motorkap op de grond.’
Zijn mond valt open. Dan barst de politieman in lachen uit. ‘Als ik dit vertel op het bureau …’
Log in om te reageren
De opening is sterk, zo direct in het gebeuren. Het stukje met het raam werkt goed. Ik zou er denk ik voor kiezen om de (nog niet concrete) toespeling over het bizarre incident dat door het hoofd ging binnen de dialoog met de agent op te nemen. Het nog maar net op tijd kunnen remmen etc. de verwach...
Dankjewel, Emmy. Het bizarre incident heb ik bewust apart gezet. Daarmee is het de verklaring van de één centimeter afstand tot de voorganger en de schrik van het - wederom - plotseling moeten remmen.
Dankjewel, Gi. In de laatste zin van de eerste alinea kun je lezen, dat er feitelijk geen sprake was van een aanrijding. Maar jij bent wat dit betreft in het goede gezelschap van de dienstdoende agent ...
Heerlijk Ton. Geweldig verhaal. Het blijft vissen of het nu echt een smoes is.
Dankjewel, Ancenita. De agent denk wel dat het een smoes is, wij weten wel beter ...