
In november waait het hier vaak. Niet hard, meer een zachte trek langs de huizen.
Hij denkt aan de wind over het water daar.
De koffie op de keukentafel is koud. Buiten schuift een wolk voor de zon. De bomen langs de straat bewegen even.
Op de vensterbank staat een schelp. Hij pakt hem op, draait hem tussen duim en wijsvinger. Zand zit nog in de groeven.
Hij herinnert zich een balkon. Warmte die ’s avonds bleef hangen. Zij leunde tegen de reling, armen over elkaar.
‘Nog eentje?’ zei ze.
Hij knikte.
Ze lachten om iets wat hij nu niet meer weet.
Later liepen ze langs het strand. Hun schoenen in de hand. Het water kwam tot hun enkels en trok zich weer terug. Een hoge golf sloeg over hun knieën. Ze gilde. Ze wrong de onderkant van haar jurk uit.
‘We blijven hier,’ zei zij.
Hij keek naar het water.
Hij zet de schelp terug op de vensterbank.
Een deur die dichtviel? Een taxi die wachtte? Zij bij het raam? Hij al beneden. Zwaaiden ze?
Hij staat op en spoelt zijn kopje om.
Het water uit de kraan loopt in de gootsteen.
Mooi Jan, zo'n vluchtige herinnering in een alledaags moment. Knappe vertaling van het lied dat je geïnspireerd heeft.