
Hij staat midden op het podium, in het licht van één vergeten spot. Rijen stoelen verdwijnen in het donker. Zijn slotmonoloog is al lang afgelopen. Geen applaus. Geen bravo’s of gefluit. Alleen het zachte zoemen van de lampen. Hij buigt. Eerst klein. Dan dieper. Zijn hand maakt de beweging die hij al veertig jaar maakt: naar het hart, dan naar buiten.
In de coulissen pakt hij zijn jas van de kapstok. In de spiegel naast de deur ziet hij zijn schmink: te witte wangen, een streep grijs in de wenkbrauwen. Hij spuugt op zijn zakdoek en veegt het meeste eraf. Een vlek blijft achter, als een schaduw onder zijn oog.
De toneelmeester komt binnen.
‘Ze zijn al een uur weg,’ zegt hij.
De man knikt.
‘Ik weet het.’
‘Je kunt het licht uitdoen als je wilt.’
‘Straks.’
De toneelmeester haalt zijn schouders op en verdwijnt weer.
De man gaat terug de zaal in. Hij gaat zitten op de rand van het podium. Zijn benen bungelen boven de orkestbak. Hij zegt nog een zin uit het stuk, zacht, alsof hij tegen iemand praat die hij niet wil storen. Er schuift iets in de zaal. Hij kijkt op.
‘Ik ben er nog,’ zegt een vrouwenstem.
Hij knippert tegen het donker. Op de derde rij zit een dame. Haar jas ligt over haar schoot.
‘U had allang naar huis gekund,’ zegt hij.
‘Het regent,’ zegt ze. ‘En u ging zo op in het laatste stuk. Ik wilde niet storen.’
Hij knikt.
‘Vond u het wat?’
Ze denkt even na.
‘Het is makkelijker zonder publiek,’ zegt hij.
Ze glimlacht, maar zegt niets.
Na een tijdje staat ze op, pakt haar jas en loopt naar het gangpad.
‘Welterusten,’ zegt ze.
‘Welterusten.’
De deur valt zacht dicht. Hij blijft nog even staan.
Dan buigt hij nog één keer en doet het licht uit.
Sfeervol! Het heeft ergens iets tragisch, al weet ik niet precies waarom.