De modder smaakte naar vergeten oorlogen en ijzer. Rinus lag met zijn wang tegen de klamme humus, terwijl de regen als duizend tikkende naalden in zijn nek prikte.
‘Sta op, Rinus. De eik kijkt,’ siste Mara. Ze stond boven hem, haar jurk een flard nachtschade tegen de grauwe lucht.
‘Mijn botten zijn van glas vandaag,’ steunde hij. Hij voelde de haarwortels van de reuzeneik onder zijn ribbenkast vibreren, een ondergronds orkest van honger.
‘Glas breekt, hout buigt,’ zei ze koud. ‘Herinner je je de zomer nog? Toen de zon een vloeibare goudschat was en de beek ons waste?’
Rinus sloot zijn ogen. Flashback: Hij zag zichzelf rennen, de lucht in zijn longen was honing, zijn huid nog vrij van de groene nerven die nu over zijn polsen kropen. ‘Kijk Mara, ik ben sneller dan de schaduwen!’ riep de jongen van toen.
‘Dat kind is dood, Mara. De aarde heeft hem opgeëist.’
De natuur was hier geen decor; het was een beul. De wortels waren als trage pythons die de hartslag van het bos dicteerden. Een metafoor voor de verstikking die hij zelf had gezaaid.
‘Hoor je dat?’ vroeg Rinus. Zijn vingers groeven zich dieper in de blubber. ‘Wat?’ ‘Het zingen. De sapstroom die mijn naam spelt.’
Mara knielde. Haar ogen waren twee zwarte gaten waarin geen licht ontsnapte. ‘De eik zingt niet voor jou, Rinus. Hij zingt door jou. Je bent slechts de stemvork van zijn expansie.’
‘Help me dan,’ smeekte hij. De geur van rottend blad was nu zo intens dat hij de herfst kon proeven op zijn huig.
‘Waarom zou ik een prooi helpen die zijn eigen valstrik heeft gekust?’ Mara’s lach klonk als brekend ijs. ‘Je dacht dat je de tuinman was, maar je bent de mest.’
Rinus voelde een plotselinge, brute ruk aan zijn enkel. Geen touw, maar een levende, vezelige omhelzing. ‘Mara, mijn been! Het trekt!’
‘Nee,’ corrigeerde ze kalm, terwijl ze haar eigen vingers bekeek, die langzaam veranderden in bleke, kronkelende uitlopers. ‘Het verwelkomt.’
De twist sneed door de regen: Rinus keek niet naar Mara, maar naar een spiegeling in een zwarte plas. Er was geen Mara. Alleen de eik die de laatste flarden van zijn menselijke psyche gebruikte om een dialoog te voeren met het vlees dat hij aan het verteren was.
‘Ben je daar nog, Rinus?’ vroeg de boom met zijn eigen stem.
De modder stroomde nu zijn mond binnen. De wortelworsteling was voorbij. Hij was niet langer de man die vocht tegen het woud; hij was het kraken van de takken in de wind geworden. De eik had eindelijk zijn tong gevonden.
Log in om te reageren
Nog een keer gelezen. Lekkere botanical horror. Dit stukje komt voor mij te laat: > Er was geen Mara. Alleen de eik die de laatste flarden van zijn menselijke psyche gebruikte om een dialoog te voeren met het vlees dat hij aan het verteren was. Dat het achteraf geen conversatie met Mara is maakt...
Je brengt goed een soort gruwelijke spanning over in je verhaal, maar ik snap eigenlijk niet zo goed wat er aan de hand is. Boom absorbeert mens, maar de reden ontgaat me. Had zijn moeder nog zo gewaarschuwd nooit naar het Duistere Woud te gaan? Is Mara een dryade? Ik mis teveel context om het te ku...
Dit is een verhaal om te herlezen voor mij. Het voelt lekker maar ik raak ik in de war – misschien is het niet het juiste moment als tussendoortje en moet ik een wat rustiger moment opzoeken.
Je tekst heeft een sterke, beklemmende sfeer en een duidelijke verbeeldingskracht. De kern van het fragment (samensmelting van mens en boom ) is krachtig. Met iets meer terughoudendheid in beeldspraak kan dat idee waarschijnlijk nog indringender overkomen.