De kamer was ovaal, ja — de lijnen ervan liepen niet recht. Ergens, diep in de hoeken, kromde de wereld de verkeerde kant op. Mara voelde het aan haar knieën. Aan haar rug. Ze zat recht, haar wervelkolom probeerde iets anders. 2000 dollar. Haar minibikini spande.
Hij keek haar niet aan. Hij bekeek haar. Zoals een jager een dier observeert dat hij niet wil schieten, maar bewaren. Voor later.
‘Wat heb je bij je?’ vroeg hij.
Ze haalde niets uit haar tas. Dat was haar antwoord.
‘Jullie komen altijd met iets. Een boek, een rapport, een intentie. Jij niet?’
‘Ik ben gekomen om je huid te vouwen,’ zei ze.
Hij grijnsde. ‘Pardon?’
Ze stond op. Liep naar hem toe. Legde haar hand op zijn wang. Haar duim trok een lijn naar beneden, traag. Zijn huid voelde dunner dan hij eruitzag. Alsof zijn gezicht met touwtjes was opgespannen.
‘Iedere machtige man is uiteindelijk een papierfiguur,’ zei ze. ‘Je vouwt ze, en ze houden een pose. Tot de regen komt.’
‘Dit is bullshit, zoals poëzie,’ zei hij. ‘Geen politiek.’
Ze knikte. ‘Daarom werkt het.’ Ze haalde haar lippen langs zijn slaap. Niet als kus. Als meting. Zijn adem stokte.
Hij tuurde in haar boezem en fluisterde: ‘Wat wil je van me?’
Ze haalde een klein object uit haar zak. Geen recorder. Geen bom. Een doosje. Ze opende het. Erin lag een opgevouwen lichaam. Het was van was, haar eigen lichaam, precieus nagemaakt, fragiel, glimmend. Ze legde het op zijn schoot.
‘Vouw mij,’ zei ze. ‘Zoals je wetten vouwt. Importtarieven. Betekenis.’
Hij keek naar het figuurtje. Zijn handen trilden. Hij raakte het aan. Te hard. Een arm brak af.
Ze lachte. ‘Daar ga je al.’
Hij wilde iets zeggen, haar hand lag nu op zijn borst, strelend. ‘Niet met je mond. Vouw met je vingers. Toon wat je begrijpt.’
Hij vouwde. Een voet naar binnen. Een dij naar boven. Zijn handen zweetten. Zijn adem ging hoog zitten. De kamer leek plots te draaien. Het poppetje viel uiteen. Ze keek hem aan.
‘Dat is wat je met mensen doet. Je vouwt tot ze netjes passen. En dan scheuren ze.’
Hij wilde opstaan. Zij hield hem tegen met twee vingers op zijn voorhoofd. Hij zonk weer in zijn zetel. Ze boog voorover.
‘Je bent niet wreed. Je bent saai. En dat is erger.’
Toen haalde ze uit haar handtas een Durex, glimlachte, mompelde iets over de macht der gewoonte, stak het terug, viste in de plaats een notitieboekje en scheurde er een pagina uit. Ze vouwde het voor zijn ogen tot een kraanvogel. Legde het in zijn hand.
‘Bezit de wereld niet,’ zei ze. ‘Laat het vliegen.‘