‘Weet je nog waar je voor het eerst stilviel?’ vroeg Sonja’s tijgerprint.
Ik draaide het raam open. De kou sneed geen richting. Alleen adem. In de verte loeide een koe, alsof zelfs het landschap zich verveelde.
‘Hier. Of een paar bochten verder. Alsof dat ooit iets veranderde.’
‘Je komt altijd bijna ergens. Nooit helemaal.’
Ze vouwde haar handen onder haar dijen. Het leer van haar rok schoof mee. Haar huid ving licht zoals toen, in dat motel, haar rug naar me toe, haar schouders net iets te stil.
‘Je zei dat je de middellijn wilde volgen. Omdat die niets terugvroeg.’
‘En jij had honger naar iets nieuws. Iets waar ik niet meer in paste.’
‘Ik had echt honger.’
Langs de berm lagen lege flessen, nat gras en vergeelde flyers voor een feest dat allang voorbij was.
De auto rook naar lauwe koffie, natte stof, en het spoor van haar parfum in de bekleding.
Buiten was niets. En precies dat hield me tegen.
‘Je zegt nooit waarom,’ zei ze.
‘Omdat ik pas iets snap als ik al weg ben.’
‘En als je blijft?’
‘Dan verdwijnt het.’
Ze draaide haar hoofd naar me. Eén wenkbrauw schuin. Lippen een fractie open, alsof ze iets had ingeslikt dat ze zich bedacht.
‘Ben je onderweg of verdwaald?’
‘Is er verschil?’
‘Voor mij wel. Ik heb telkens gewacht.’
‘Dat dacht ik al.’
Ik draaide de sleutel. Het dashboard lichtte op. Kaal licht, zonder belofte. De motor klikte droog.
‘Soms dacht ik dat jij het vertrekpunt was. Maar ik reed cirkels.’
‘En nu?’
‘Nu ben ik gestopt.’
‘Niet aangekomen?’
‘Nee. Alleen stilgevallen.’
Ze opende het portier. Liet het open. Wind vol modder en mest trok door het interieur. Haar hand raakte mijn knie. Niet per ongeluk.
‘Ik blijf nog even zitten,’ zei ik.
‘Zoals altijd.’
Ze liep. Zonder om te kijken. Geen drama. Geen traan.
Alleen naaldhakken, scherp in het grind.
Alsof de weg haar nog niet had laten gaan.