De klok slaat middernacht. Elke slag dreunt door Arthurs hoofd. De deurbel gilt door de gang, een alarmsignaal na veertig jaar dodenstilte. Cognac brandt zijn keel schoon, een laatste versterking.
Hij rukt de deur open. Daar staat hij. Een jong gezicht met een aktetas als een arrestatiebevel in leer.
'Hagenbeek?'
'Wie anders?' zegt Arthur.
De jongeman stapt binnen. Zijn ogen vegen over de boekenkasten. 'Indrukwekkend. Een vitrinekast vol gestolde leugens.'
Arthur zakt in zijn fauteuil. ‘Ik vroeg me al af wanneer de zoon zou opduiken.’
'Zoals de brief beloofde.' De jongeman laat de aktetas op de tafel vallen. Klik. 'Thomas Verhoeven. Eliane Dubois was mijn moeder.'
Eliane. 'Een talent,' perst hij eruit.
Zelfs nu, na al die jaren, weet hij niet wie van hen de eerste stap zette. Zij had hem haar notities laten lezen, haar beelden gefluisterd tijdens nachten waarin alles op het nachtkastje bleef hangen. Ze wilde niet publiceren. Ze had geen pen nodig. Haar stem was voldoende. Hij werd haar afvuurmechanisme.
'Een talent dat u heeft leeggezogen.' Verhoeven trekt een vergeeld manuscript tevoorschijn. ‘Het Fluisterende Riet. Voordat u het De Zang van de Wind doopte, nietwaar?'
'Ik heb haar werk vleugels gegeven!' Arthurs stem slaat over.
'U knipte haar vleugels af om ze op uw kromme schouders te naaien!' Verhoeven haalt een smoezelig mapje tevoorschijn. Gestencilde, doorgehaalde rommel. 'Scherven van een Stadsdroom. De Eenbenige Meeuw. Herinnert u zich die literaire flaters nog, Hagenbeek? Uw eigen, zielige pogingen?'
Zijn jeugdzonden. Opgegraven rotzooi uit een te vroeg graf. Nog kleverig van pretentie.
'De stilistische sprong van dit… geklungel… naar De Zang van de Wind?' Verhoeven lacht, een droog, raspend geluid. 'Een rottige mug die plots met veren vliegt. Komisch, mocht het niet zo tragisch zijn.'
Hij gooit een document op tafel. 'Uw bekentenis. De waarheid over de literaire parasiet Arthur Hagenbeek.'
Verhoeven glimlacht als een beul die zijn bijl likt. 'Er is meer.' Hij trekt een derde manuscript uit de tas. 'De Georkestreerde Erfenis. Door mij.'
Hij legt het triomfantelijk bovenop de bekentenis. 'Mijn moeder was de bron. U was de onbeholpen dief. Ik…' Hij tikt op zijn eigen manuscript. 'Ik ben de erfgenaam die wél weet wat te doen met haar nalatenschap. Uw val, Hagenbeek, uw openbare vernedering als talentloze plunderaar, is de perfecte publiciteitscampagne voor de echte opvolger. De zoon die de moeder wreekt én overtreft.'
Arthurs mond krult. Een lichte, trillende lach ontsnapt aan zijn lippen, eerst aarzelend, dan aanzwellend tot een schorre, bijna hysterische hoestbui. Verhoeven kijkt hem aan, zijn glimlach brokkelt af tot iets tussen verwarring en afschuw.
'De erfgenaam...' Arthur proest. Zijn schouders schokken. 'De echte opvolger...' Hij veegt zijn mond af met de rug van zijn hand.
Hij pakt de pen die Verhoeven naast de bekentenis had gelegd. ‘Had je dit ook voorzien, Eliane?’ fluistert hij, misschien tegen niemand. De tragedie, zorgvuldig gecomponeerd over generaties? Alles begon met die passage over riet dat fluistert. Haar stem in zijn hoofd.
Met een vaste hand ondertekent hij het document.
'Zo,' zegt Arthur. Hij schuift de bekentenis terug naar Verhoeven. 'Precies zoals we hadden gepland.'
Verhoevens frons wordt dieper. 'Gepland?' zegt hij langzaam. 'Dit is een grap, toch?'
Arthur leunt achterover. 'Die brief, Thomas. Dacht je echt dat je de schrijver was?' Hij tikt met een vinger op zijn slaap. 'Je moeder was briljant. Maar haar zoon… jij bent een product van je tijd. Voorspelbaar.'
Verhoeven verstijft. 'Ik begrijp niet...'
'Natuurlijk begrijp je het niet,' zegt Arthur zachtjes, genietend van het ongemak in Verhoevens ogen. 'Jij was te druk met je meesterplan. Wie denk je dat je al die anonieme 'onderzoekstips' toespeelde de afgelopen jaren? Die obscure verwijzingen naar mijn jeugdwerk? Die 'toevallig' opgedoken kritieken die mijn stijlbreuk zo pijnlijk blootlegden?'
Arthur wijst naar het manuscript van Verhoeven. 'De Georkestreerde Erfenis. Een pakkende titel. Bijna net zo pakkend als de synopsis die ik je, met een omweg van pseudoniemen en postbusjes, toespeelde.’
Verhoeven kijkt hem aan alsof hij lucht is geworden. ‘Nee,’ fluistert hij. ‘Nee, dat… dat kán niet.’
'Is dat zo?' Arthur glimlacht breder, 'Jij wilde een verhaal van wraak en rechtzetting. Een verhaal waarin jij de held bent. Ik gaf je de bouwstenen. Je dacht dat je mij ontmaskerde, Thomas. Je bevestigde mij.'
Hij pakt de bekentenis weer op, houdt hem tussen duim en wijsvinger omhoog. 'Dit document is niet alleen mijn val. Het is de proloog van je boek. Een proloog die ik heb vormgegeven. Je 'originele' werk, Thomas, is onlosmakelijk verbonden met mijn diefstal, mijn falen, mijn regie.'
De cognac, of de roes van controle, trekt zijn oude lijf nog één keer recht. 'Nu, als je mij wilt excuseren, ik heb een reputatie te verliezen. En jij, beste Thomas, hebt een bestseller geschreven. Gefeliciteerd.'