'Of je kust, is niet relevant,' zei ze. 'De vraag is hoe.'
Ze zat op een kist waar ooit iets bederfelijks in had gezeten. Dat rook je nog. Het peertje boven haar hoofd flikkerde op het ritme van zijn aarzeling, alsof iemand met opzet aan de schakelaar bleef rommelen.
Danny had geen jas aangetrokken. Niemand had iets gezegd over temperatuur. Hij had het koud.
Rondom hem stonden de anderen. Geen idee hoeveel. Ze droegen allemaal hetzelfde: een soort uniform dat net iets te goed paste om toeval te zijn. Hun gezichten waren niet bedekt, toch onmogelijk te herkennen.
'Je denkt dat je nog moet kiezen,' zei ze, terwijl ze met haar wijsvinger langs de zool van haar laars ging. 'Dat is een misverstand. Je bent hier al.'
Hij wilde iets zeggen, iets banaals, een grap misschien, over groepsdruk of experimentele theaterprojecten. Maar hij had zijn stem ergens achtergelaten, vermoedelijk bovenaan de trap, naast zijn jas.
'Een kus dus,' mompelde hij. Dat was hem verteld. Eén kus en dan zou alles duidelijk worden.
Ze schudde haar hoofd. 'Techniek boeit ons niet. Links draaien, rechts draaien, het is allemaal ruis. We hebben daar geen belangstelling voor. We willen zien wat je verborgen houdt.'
Hij slikte. Zijn ogen flitsten eerst naar haar volle, rode lippen dan naar de anderen. Eén van hen leek te glimlachen, misschien een tic.
Hij zette een stap naar voren. De vloer was plakkerig.
Hij boog zich voorover, traag, als iemand die onder het bed gaat kijken of er spoken wonen. Hij kuste haar niet. Hij knielde. Gewoon omdat dat op dat moment de minst gênante optie leek.
Ze keek omlaag. Ze knikte nauwelijks.
'Juist,' zei ze. 'Een buiging zonder weten waarvoor. Klassiek profiel. Die zetten we meestal ergens bij de boekhouding.'
Ze draaide zich naar de rest.
'Volgende.'