Zondagochtend. Grijs licht. De woonkamer ruikt naar lauwe melk, oud hout en iets dat hier niet hoort.
‘Ze hangt weer scheef,’ zegt Danny.
‘Ze zakt weg van jouw energie,’ zegt Esther, terwijl ze haar toast met mespuntjes boter bekladt.
Danny bladert traag door zijn krant, alsof hij een handleiding zoekt voor het leven dat hij verklootte.
‘Misschien haat ze ons gewoon,’ zegt hij.
‘Dan is ze niet de enige,’ mompelt Esther.
Het tikken van haar ring tegen het bord irriteert hem. Alsof ze in morsetaal hun huwelijk wil beëindigen.
‘Als jij haar gisteren had rechtgehangen…’ begint hij.
‘Had ik mijn nek gebroken,’ onderbreekt ze. ‘Dat portret weegt meer dan jouw geweten.’
‘Je vond haar mooi...’
‘Toen had ik nog wijn in mijn glas en jij nog haar op je hoofd.’
Danny vouwt zijn krant dubbel. Keurig. Zoals hij alles doet tegenwoordig. Zijn neus bloedt weer. Hij merkt het pas als er een druppel op zijn mouw valt. Veegt het weg zonder te kijken. Zijn vingers trillen licht. Vast iets met de bloeddruk.
‘Weet je wat dit huis nodig heeft?’ vraagt hij.
‘Een brandverzekering die ook kunstdekking insluit?’
‘Een derde stoel. Voor haar. Dan kunnen we doen alsof we een ménage à trois hebben. Alsof we haar jeugd stalen.’
‘Deden we ook,’ zegt Esther. ‘En haar alarm.’
Danny’s mond vertrekt.
‘Niemand verplichtte je om haar van de muur te rukken.’
‘Jij was het die “een leven zonder spijt” siste tussen de hors-d’oeuvres.’
‘Ik bedoelde dat ik spijt had van ons. Niet dat ik een fucking Vermeer in de kofferbak wilde.’
Esther staat op, gooit haar toast in de vuilnisbak. ‘We hadden haar moeten verkopen.’
‘Ja hoor. Op tweedehands.be? “Origineel schilderij, lichte gebruikssporen, zoekt een nieuwe muur”?’
Ze lachen niet. Danny wrijft over zijn slaap. De snee van toen begint weer te jeuken.
De stilte is vertrouwd. Op de mat ligt een envelop, wit met blauw logo. Soms staat Esther er even bij, alsof ze wacht tot de envelop zelf beslist. Ze raapt hem nooit op. “Te risicovol,” zei Danny. Hij had het dossiernummer weggekrast met een keukenmesje.
‘Niemand komt nog langs,’ zegt ze.
‘Misschien beter. Jij zou toch weer opscheppen dat we haar zonder handschoenen hebben aangeraakt.’
‘Je had je broekriem nog open toen je haar ophing,’ zegt ze. ‘Ik dacht even dat je haar ging nemen tegen de schouw.’
‘Ze keek naar mij.’
‘Ze kijkt naar iedereen, Danny. Dat is wat ze doet. Ze kijkt en hoopt dat iemand haar weghaalt van hier.’
‘Jaloers?’ vraagt hij met een halve grijns.
‘Op een meisje van zeventien met een hoofddoek en geen stem? Nee hoor, leef je uit.’
‘Ze heeft meer karakter dan jij in je papieren kroon op nieuwjaar,’ snauwt hij.
‘Ze beweegt tenminste nog.’
Ze kijken naar het meisje met de parel. Haar blik blijft onwrikbaar: oordeel, afkeer, iets wat lijkt op medelijden met mensen die liever doodgaan dan praten. Er klinkt een tik. Niet van de klok. Iets dat loskomt. Of protesteert.
‘Wil jij haar recht hangen?’ vraagt Esther.
‘Nee,’ zegt Danny. ‘Laat haar maar scheefhangen. Net als wij.’