Ik heb een stemmetje in mijn hoofd dat heerlijk zachtjes klinkt. Als een prins. Niet die rare Nederlandse koning maar een knapperd.
Mijn eigen stem is velen malen minder. Ik heb het ooit opgenomen op mijn telefoon. Ik slis en klink heel zwaar en woorden vloeien twijfelachtig. Het loopt nog minder lekker dan de stem onze koning.
Klonk ik maar zoals het nationale zang-kwartet. Ik zie ze vandaag in het restaurantje van mijn pappa. Twee mannen gekleed in pakken die er uitzien als pinguïns en vrouwen in gekleurde jurken met friemeltjes en fratsen.
Ik mag hun tafel dekken, en loop kalm op ze af. ‘Hallo, wat willen jullie eten?’ vraag ik ze. ‘Zozo, wat een mooie bariton stem heb jij?’ zegt een van de mannen.
‘Huh, ik een mooie stem?’
‘Jazeker,’ zegt een vrouw die zangerig en liefjes klinkt. ‘Heel mooi.’
‘M-m-maar ik slis, en ben zwaar, en ik stotter door de zinnen?’
Een van de mannen herhaalt mijn zin
‘Maar ik ssslis, en ben zwaar, en i-i-ik st-stotter door de zinnen.’
Hè wat, is hij bij het zang-kwartet? Mijn ogen openen van verbazing.
Hij glimlacht.
‘Zo was ik ook, jongeman. Ik ken dat goed. Maar oefening baart kunst.’
Van verbazing laat ik een vork vallen. 'Sorry,' zeg ik met mijn lage twijfelachtige slissende stem. Het kwartet bukdert van het lachen.
Ik hoor het stemmetje in mijn hoofd iets zeggen: ‘Misschien moeten we dat maar proberen.’
Ik ga nog werken aan een voorlezing.