Sem grabbelde in de modder, maakte blije geluiden. Mama keek. Hij lachte harder.
'Zie hem toch spelen!' zei mama tegen de nieuwe buurvrouw. 'Zo vrij!'
Sem bouwde een muurtje van modder. Steen voor steen. Zoals hij gisteren deed. En eergisteren. Hij kende elke steen hier.
'Wij groeiden ook zo op,' vertelde mama. 'Altijd buiten, boomhutten bouwen. Kijk hoe sterk het ons maakte.'
Door het hek renden kinderen voorbij. Ze riepen iets over voetbal. Sem keek niet op. Dat mocht niet van mama. 'Straatkinderen,' noemde ze hen.
'Natuurlijk opvoeden werkt altijd,' zei mama. 'Kinderen weten instinctief wat ze nodig hebben.'
Sem knikte naar zijn moddermuur. Zijn vingers kneedden de modder tot een ronde bal. Even leek het op... Snel plette hij hem weer tot een steen voor zijn muurtje. Mama staarde.
'Sem! Laat eens zien hoe hoog je kunt springen!'
Hij sprong. Mama klapte. De vrouw glimlachte ongemakkelijk.
Sem landde zacht. Geen geluid. Mama hield van stilte.
'Zie je hoe tevreden hij is?' fluisterde mama. 'Zo in balans.'
Tweeënvijftig grassprietjes in dit hoekje. Hij kende ze allemaal. Plukte er een, draaide het tussen zijn vingers.
Buiten klonk weer gelach. Dichter nu.
Sem keek naar mama. Zij keek naar haar rozen. Hij telde in gedachten: één, twee, drie. Dan zou ze weer iets zeggen over natuurlijk en puur.
'Puur geluk,' mompelde mama, precies op drie.
Sem glimlachte zijn mooiste glimlach. Die had hij lang geoefend. Hij grabbelde weer in de modder, maakte blije geluiden.
De vrouw knielde naast Sem neer. 'Wat een mooi muurtje. Speel je vaak alleen?'
Mama's blik brandde. Sem keek op. Glimlachte. 'Ik heb de natuur.'
De vrouw haastte zich naar het hek.
Mama kwam naar hem toe. 'Braaf jongetje,' zei ze, en aaide over zijn hoofd.
Sem bleef glimlachen. Hij had geleerd wat liefde was.