T
De T lag op zijn rug in de goot, doorweekt van pis en regenwater. Plastic troep van een reclamebord, afgewaaid bij de laatste storm.
'Kijk,' zei het ventje tegen zijn maat. 'Een T.'
'En wa dan nog.'
'T van Tetten.'
Ze lachten. Het ventje raapte hem op, bekeek de gele kleur. Smerig. Hij smeet de letter naar een kat die tussen de vuilnisbakken rondsnuffelde. Raak. Het beest sprong weg, krijsend.
Tegen de avond vond Natasja de T toen ze de stoep proper maakte voor haar tent. Goedkope boel, drie kamers boven de frituur. De geur van oude olie mengde zich met goedkope parfum. Klanten konden combineren: eerst frietjes, dan omhoog. Ze draaide de letter om in haar handen. Plastic rommel, maar de vorm beviel haar.
Ze spijkerde hem boven de deur.
De eerste klant die avond was een kale vijftiger in een krap pak. Hij wees naar de T. 'Wa betekent da?'
'T van Twintig euro extra,' zei ze. 'Voor zonder.'
Hij betaalde. Mompelde iets dat Tien ook kon en vroeg een btw-bon.
Drie weken hing de T daar. Regendruppels liepen over de randen, duiven scheten erop, en elke nacht flikkerden de neonlampen van de stad eroverheen. Blauw, rood, groen.
Tot die ochtend. Politie-inval. Natasja in handboeien naar buiten. De buren stonden te loeren, telefoons omhoog.
Een flik rukte de T van de muur, smeet hem terug in de goot waar hij thuishoorde.
'Doorlopen,' riep hij naar de gapers.
De volgende dag hing er een S.