'Ik ga niet.' Sonja staat bij het raam. Haar vingers tikken tegen het glas.
'Voor Kimberley…'
'Ze is dood.'
Mark hangt zijn pak op een stoel. Hij droeg het in geen jaren. 'Paster Cruysse gaat preken over haar schoon hart.'
'Haar schoon hart…'
'Heel de Kerkstraat komt kijken. En uw zuster.'
'Goe voor hen.'
'Ze verwachten ons.'
'Gaat gij maar.'
Hij trekt zijn overhemd aan. Knoopt het dicht. Verkeerd. Doet het opnieuw. 'Wa zeg ik tegen de mensen?'
'Dat uw vrouw ziek is.'
'Zijt ge ziek?'
Sonja draait zich om. 'Haar telefoon ging. Gisterenavond. Ne vent.'
Mark stopt.
'Hij vroeg waar ze bleef.'
'Misschien…'
'Ge moogt drie keer raden waarvoor.'
Marks schoenen glommen. 'We wisten het niet.'
'Liegt niet.'
'Sonja…'
'Die taxi's. Die rokskes. Elke avond.' Ze tikt weer tegen het glas. 'We wisten het.'
Mark strijkt zijn stropdas glad. 'Ze was volwassen.'
'Ze was vierentwintig.'
'Oud genoeg.'
Sonja lacht. Het klinkt verkeerd. 'Voor wat? Om zich te verkopen?'
'Om te kiezen.'
'Welke keuze? Tussen honger en hoererij?'
Mark draait zich om. 'Kon ze nie gewoon..'
'Wat? Bedelen? Bij haar pa en ma, kijkt rond, ‘t is hier geen paleis, hé?'
'We hadden haar geholpen.'
'Hadden we dat? Echt?'
Mark grist zijn jasje van de stoel. 'Konden we da?'
'We wilden het nie stoppen.'
'Wa moesten we dan doen? Haar opsluiten? Vastbinden misschien?!'
'Eens vragen, godverdomme. Gewoon eens vragen.' Sonja’s stem schoot de hoogte in.
'Wat dan?'
Sonja draait zich bruusk om. 'Waarom uw dochter haar kut verkocht in plaats van geld aan ons te vragen.'
Mark verslikt zich. 'Zegt dat nie.'
'Jawel. Dat is wat er gebeurd is.' Ze stapt naar hem toe. 'Met vieze venten. Terwijl wij hier zaten te doen alsof we het nie doorhadden.'
'Sonja…'
'Elke keer dat ze hier kwam met die sjakossen, die juwelen, da geld. En wij vroegen niks. Niks!'
Stilte.
'We waren bang dat ze ‘t graag deed.'
'Geloofde da echt?'
Hij blijft staan. Zijn hand op de klink.
'Nee.'
'Ik ook niet.'
Mark opent de deur. 'Komde nu mee?'
'Nee.'
'Sonja… Tblijft uw dochter, hé.'
'Ik ga niet.'
Hij knikt. Loopt weg.
Sonja blijft bij het raam. Ziet hem instappen. Wegrijden.
Ze pakt de telefoon. Belt Kimberleys nummer.
'Als je dit hoort, ben ik bezig. Spreek je wensen in na de toon en ik bel je zo spoedig mogelijk terug.'
Sonja luistert tot de piep. De stem van haar dochter. Levendig, zorgeloos. Een spook in de machine.
Ze hangt op. Drukt de telefoon tegen haar borst. Een enkele, droge snik ontsnapt haar. Stilte. Alleen zijn was een keuze. Nu is het een straf.
De stilte in huis lacht haar uit.
Ze pakt haar jas en loopt naar buiten.
'Mark!'
Hij draait zijn raampje omlaag.
'Wacht.'
'Ik mis haar…'
'Ik ook.'
Ze stapt in.
'We doen het samen.'
Mark kijkt haar aan.
'Wat?'
'Overleven.'
Hij knikt. Start de motor.
'Sonja?'
'Ja?'
'Waren we slechte ouders?'
Ze kijkt naar haar handen.
'Ja. Ik denk het wel.'
'Goed dan.'
Ze rijden weg.