
Ik deed het licht aan. Het was een overgang van de echo’s in de scherpverlichte gang, naar het gedempte geluid in mijn eigen, kleine studio. Veel warme aardetonen. Die kleurstelling ga ik aanhouden als ik mijn meubels in de toekomst ga upgraden van kringloop naar duurkoop.
Het plastic tasje ritselt als ik het op het aanrecht neerzet. Een dalwhinnie, een klein cadeautje voor mezelf. Ik ben nog een beetje aangeschoten van die twee biertjes op het terras. Ik heb tegen Sandra gelogen, ik ben niet gegaan omdat ik wilde slapen, ik wilde nog even naar de voicemail luisteren. En daar heeft ze niets mee te maken, dat is tussen hem en mij.
Tussen de platen zoek ik naar Miles Davis. Met zorg haal ik de plaat uit de hoes, leg hem op de draaitafel en leg de naald in de groef. Het bekende gesuis. Terwijl ik de plaat terugzet, zet de piano in. Een rustig swingend jazznummer begint.
Ik schenk een whisky in en zet mijn computer aan. Heerlijk zacht, zo’n Dalwhinnie. In de eenzaamheid van mijn studioappartement dans ik mee met de jazz. Het opstarten van de computer is klaar, maar ik reageer er niet direct op. Die computer mag eens een keer op mij wachten.
Met de muis klik ik een paar keer, tot ik de juiste geluidsopname gevonden heb.
“...eer Zomers?”
De z wordt met een slissende toon uitgesproken. Een stem als van een weekdier. Het telefoontje kwam vrij laat op de avond.
Stilte. Een beetje gestommel. “O, is dit een voicemail?”
Het gaat op langzame toon verder: “Nou ja, wat mij betreft. De meeste mensen zitten te wachten op dit telefoontje. Maar jij natuurlijk niet. Je zal wel iets beters te doen hebben. Rondhangen in de kroeg. Samen met Finn en Tibo en… Dennis.”
Ik schoot in de lach, zoals altijd bij dit stuk. Ik hief het glas. “Op Dennis! Ook een van de grote belhamels!”
“En je hoeft natuurlijk niet op te nemen. Want je weet al wat ik ga zeggen. Hoe kan het ook anders? Ik heb het direct al gezegd: een nul. Dit was de enige mogelijke uitkomst” – weer die gesliste s-klank bij komst – “en je hebt het voor elkaar hoor. Je mag het allemaal nog eens doen.”
De stem van die vuilak verdronk even in een luide saxofoonsolo. Ik liet mijn lichaam meedeinen op het ritme en nam een flinke slok whisky. Het was warm in de studio, er was te weinig zuurstof hierbinnen. Ik opende het raam en leunde op het kozijn. De Van Goghstraat beneden was donker. Een man liet zijn hond uit en keek niet op.
Hier werd het grimmig en, zelfs voor zijn normen, onprofessioneel: “Maar al mijn adviezen en tips worden toch in de wind geslagen. Laat me één ding zeggen: ik ken jouw type. Jij mag blij zijn als iemand je aanneemt. Jij komt niet goed terecht.”
De volgende zin spraken we samen uit: “Jij bent niets.”
Ik lachte. “Heeft u het tegen mij of tegen uzelf, meneer Oudman?”
“En jij bent een bewonderaar van Wolkers, van Japin, van Van Essen? En jij wilt zelf schrijver worden.”
Dat schampere lachje.
“Gaat nooit gebeuren.”
Ik lachte nog eens, heerlijk ongeremd. De dalwhinnie deed zijn werk. Als een beatdichter scandeerde ik over de muziek: “Maar daar heeft u het mis, meneer Oudman, met de zuurheid die uw hele wezen doordringt, die elk jaar hetzelfde vertelt, die op jonge leeftijd al een oude zeur was. Want in mijn binnenzak heb ik, u zult het niet geloven, ik geloof het zelf bijna niet, het contract waarin staat dat ik volgende de nieuwste columnist bij de Nieuwe Revu wordt.”
Ik schreeuwde door het raam en het echode door de straat. Van boven schreeuwde een buurman. In de verte blafte een hond.
vanaf het begin van het verhaal voel je de zelfverzekerdheid, later zelfs enige arrogantie, van de persoon. hij is duidelijk in een jubelstemming en dat is mooi weergegeven. een leuk verhaal en prettig om te lezen. ik had wel graag willen weten welke plaat hij van Mile...