Bert pist elke ochtend in brievenbus achttien, altijd om halfzes als de straat nog leeg is.
De eerste keer was pure woede. Hij ritste open, richtte in de gleuf, liet het lopen.
Het werd een dwang. Elke ochtend dezelfde route, dezelfde handeling, anders klopt de hele dag niet. Zijn lichaam brengt hem er vanzelf heen.
Tijdens het pissen, denkt hij aan haar kleine handen om de envelop. Op haar tenen om erbij te kunnen. Zeven jaar. De auto die niet stopte. Brief naar oma gleed naar binnen en toen was ze dood.
Brievenbus achttien staat aan de rand van het industrieterrein. De postbode negeert bus achttien sinds het begon.
In de winter bevriest zijn pis in dikke lagen tegen de binnenkant. Een gele ijsberg groeit in de bus.
Maart komt en hij ziet as tussen het ijs. Grijs poeder dat er eerder niet was.
Een week later staat er een vrouw naast brievenbus achttien. 'Jij bent de vader.'
Hij pist zoals altijd, zij kijkt toe.
'Mijn man schreef over jou in zijn afscheidsbrief. Elke ochtend staat die vader daar te pissen in de bus waar ik haar doodreed.' Haar stem is vlak, een meer zonder wind.
Bert schudt de laatste druppels af. Hij heeft de man nooit gezien.
'Hij schreef: verbrand me en doe me in die bus. Bij haar vaders pis.'
Ze wijst naar het grijze poeder.
'Dus hier ben ik. Elke ochtend een beetje as.'
Zijn pis vermengt warm met de as.
'Kom je morgen weer?' vraagt ze en hij knikt.
Nu komen ze allebei, hij pist en zij strooit as. De bus zit bijna vol.
Het metaal bolt op. Op een ochtend zal de gleuf niet meer open gaan.