Aiko,
Uw vierde brief ligt nog ongeopend op de keukentafel. Naast de zesde. En de negende.
3 augustus vlieg ik niet.
Gisteren at ik tandpasta. Niet expres. Ik dacht dat het yoghurt was. De tube stond in de frigo. Mijn schuld of die van de morfine? Maakt niet uit. Het smaakte naar hoe gij zou ruiken, denk ik. Schoon. Vals.
Volgend vel.
Aiko,
De dokter tekende rondjes. Witte rondjes op een zwarte foto. Alsof ik het verschil niet ken tussen binnen en buiten. Alsof ik geen dertig jaar voor een bord met atomen en molecules sta.
Ge schreeft over die vrouw. Mei? Ming? M-iets. Zeg haar niets. Mensen met nieuws zijn ambetant.
Ik verfrommel dit. En begin opnieuw.
Aiko,
Vannacht heb ik de toetsen op mijne GSM geteld. Achtenzeventig. Waarom achtenzeventig? Waarom tel ik?
Augustus. Het hotel waar we zouden... Waar gij had gereserveerd. Annuleer dat.
De morfinepomp piept. Vier keer is een melodie. Vijf keer is terreur. Nu: zes.
Aiko,
Gij zijt de enige die niet belt. Goed zo. De telefoon is een monster geworden. Ons mama weent erin. Collega's liegen erin. Gij schrijft alleen over gewone dingen. De prijs van postzegels. Uwen nieuwen theepot. De mier in uw suikerpot.
Er zit ook iets in mijn potteke. Maar het eet de suiker niet. Het eet het potteke zelf.
Dit is fout. Opnieuw.
Aiko,
Ik verbrand seffens uw foto's. De vlam zal blauw zijn door de inkt. Of geel. Ik weet niet meer hoe vuur werkt.
3 augustus bestaat niet meer. Begrijpt ge? Niet uitstellen. Afgelasten. Gelijk een oorlog die niemand wint.
De stapel papier naast mijn bed. Zeventien? Achtentwintig? Ik gooi niets meer weg. De prullenmand staat te ver. Alles staat te ver.
Laatste poging.
Aiko,
Kom niet. Ik kom niet. Niemand komt.
Schrijf over die mier. Geef ze een naam. Maar niet de mijne.
De brief zonder adres. Uw straat ben ik kwijt. Kyoto schrijf ik erop. De rest is aan het universum. Net als alles nu.
Geen datum. Data zijn voor mensen die een almanak nodig hebben.