
Mijn grootmoeder kreeg twaalf kinderen. Eén van hen werd op zijn achttiende pastoor.
Grootmoeder vertelde dat graag.
In de woonkamer hing een foto van hem in soutane. Strak gezicht, handen gevouwen.
Ze wees er regelmatig naar. ‘Onze pastoor,’ zei ze dan.
Ook zijn jongste zus was trots op hem. Zo trots dat ze later het klooster inging. Ze schreef lange brieven naar huis, vol heiligen en wonderen.
Toen kreeg hij een ongeluk. In het ziekenhuis was een verpleegster.
Een extra kussen. Een glas water. Een praatje na de ronde.
Na zijn ontslag hing hij de soutane aan de kapstok en trouwde met de verpleegster. Ze kregen drie kinderen.
Mijn grootmoeder sprak een tijdlang niet over hem. Alleen mijn tante, het nonnetje, bleef hem bezoeken.
Op familiebijeenkomsten zat hij tussen mijn ooms aan tafel. Hij zei weinig. Soms noemde iemand hem nog ‘eerwaarde’.
Dan glimlachte hij.
Mijn grootmoeder niet.
Mooi dat vooral de non hem blijft bezoeken. Leuk verhaal!