
Hij staat met zijn schoenen in het natte zand, de wind in zijn kraag. Het strand is leeg, op een enkele meeuw na die verderop in een plastic zak pikt. De zee ruist laag en dof. Hij schopt gedachteloos tegen wat aangespoeld hout, zeewier, een kapotte slipper. Dan ziet hij het blikje. Half ingegraven. Roestbruin. Hij bukt en veegt het schoon met zijn mouw. Draait het om. Ondanks de roest ziet hij de felle kleuren, het trommeltje, de rooklijn. Hij klikt het open. Het scharniertje kraakt. Leeg, alleen wat zand en de vage zweem van wat er ooit was.
Zijn vader had zo’n doosje. Altijd in de borstzak van zijn jas. Aan de keukentafel draaide hij een shaggie, langzaam, met die grote vingers. Hij floot er zachtjes bij. Altijd hetzelfde deuntje.
‘Niet te strak,’ zei hij. ‘Dan trekt hij niet.’ Zijn tong langs het gomrandje van het rijstpapier.
Hij kijkt naar zijn eigen handen. Ze trillen een beetje. Hij hoort het fluiten weer, ziet de kruimels tabak op het tafelblad, de as in de bloempot als er geen asbak stond. De ochtendzon op het aanrecht. Zijn moeder die niets zegt, maar wel het raam op een kier zet.
Ze trillen nog steeds, zijn handen. Op het dof geworden metaal valt een druppel. Dan nog één. Ze laten kleine sporen achter in zand op de roest. Hij kijkt hoe het vocht verdwijnt, precies daar waar het dekseltje kiert.
Hij legt het terug waar hij het vond. Dan loopt hij een paar passen weg, blijft staan en draait zich om. Er ligt alleen nog strand. En zee. En de meeuw, ver weg, met zijn plastic zak.
Dat tabaksdoosje als brug tussen twee levens — zo simpel en zo zwaar tegelijk. Je voelt hoe groot die vader was in kleine gebaren. De kier in de titel zit ook in die herinnering: nooit helemaal open, nooit helemaal dicht.