
Het zwembad rook naar chloor en beschimmelde voegen. De tribunes waren leeg, de verwarming bromde, en ergens druppelde een kapotte kraan zijn eindeloze morse. Aan de muur hing nog steeds het uitslagenbord van de jeugdkampioenschappen 2004 — niemand had de moeite genomen het weg te halen, niemand had de moeite genomen het bij te werken.
Alles vertrouwd. Behalve de deur.
Hij zat tussen de kleedkamers en het magazijn, op een plek waar gisteren alleen maar tegels waren geweest. Geen klink, geen nummer. Alleen hout dat eruitzag alsof het jarenlang onder water had gelegen — donker, gezwollen, met nerven die leken op de lijnen in een handpalm.
Ik legde mijn hand erop. Droog. Veel te warm voor een ruimte waar de thermostaat chronisch kapot was. En toen hoorde ik het: een zacht gezang, vrouwenstemmen die neuriëden, een melodie zonder woorden.
De geur veranderde. Geen chloor meer. Zonnecrème. Gemaaid gras. De binnenkant van mijn moeders auto op een zomerse dinsdag.
Ik wist meteen dat ik dit beter niet kon doen, maar mijn hand duwde al voordat mijn hoofd toestemming gaf. Mijn andere hand ging naar mijn kin, naar het kleine sikkelvormpje dat ik daar al dertig jaar meedroeg.
De deur ging open.
Daarachter: het zwembad. Dezelfde tribunes, dezelfde bromtoon. Maar nu zat er iemand op de rand van het bad. Een jongen, acht of negen, met natte haren en blauwe lippen. Hij draaide zich om.
Geen litteken. Nog niet.
De deur achter mij viel dicht. Er zat geen klink aan deze kant.