Op zaterdagochtend halen we onze nieuwe auto op in een glazen doos langs de snelweg.
Alles glimt.
Mijn vrouw strijkt met haar hand over de unit van de achterlichten. Ik probeer de achterklep te openen.
In het kantoortje treffen we de verkoper. Hij heeft de leeftijd van onze kleinzoon en leest met een marker in zijn hand in ‘Telling is not selling’.
Hij stelt voor een stukje te gaan rijden en daarna bij een kopje koffie de administratieve afhandeling te doen.
Tijdens het proefritje zegt hij weinig.
Af en toe wijst hij iets aan. Een knop. Een scherm. Een icoontje dat van kleur verandert.
Ik rijd behoedzaam.
Mijn vrouw zit rechtop achter mij, haar tas op schoot.
Terug bij de showroom zegt de verkoper: ‘Zet ’m maar even in z’n achteruit, dan laat ik u de sensoren zien. Hij parkeert bijna vanzelf.’
Ik duw het knopje naar ‘R’ en laat de rem opkomen.
De auto komt in beweging.
Een klap.
Gepiep.
‘Nu heeft u schade,’ zegt de verkoper.
Vanaf de overkant kijken een man en een vrouw toe.
De verkoper opent zijn portier en springt uit de auto.
‘De hele deur ligt eruit.’
Ik kijk over mijn schouder naar het achterportier, maar dat is er nog.
Ik stap uit en loop naar de achterkant van de auto. Die is onbeschadigd.
Het glas van de pui ziet eruit als ijs op een sloot waarop kinderen gestampt hebben.
Ik kijk naar mijn vrouw. Ze zit op de achterbank, haar hand nog steeds op haar tas.
Ze staart naar het scherm waarop rode lijntjes flikkeren.