Ze zitten tegenover elkaar aan een tafeltje bij het raam. Buiten schuift de middag langs de gevels.
‘Het begint al verkeerd,’ zegt de man. ‘Dat licht daar. Je noemt het niet eens.’
‘Je ziet het toch,’ zegt de ander. ‘Het valt naar binnen. Meer hoeft niet.’
De man buigt zich voorover, steekt zijn wijsvinger op. ‘Maar wat voor licht is het? Is het honingkleurig, stroperig, diffuus alsof het…’
‘Daar ga je al,’ onderbreekt de ander.
Een serveerster zet twee glazen bier neer.
‘Woorden moeten dragen,’ zegt de man. ‘Ze moeten iets optillen. Anders blijven ze op de grond liggen.’
‘Ze hoeven niets op te tillen,’ zegt de ander. ‘Ze moeten er zijn. Net genoeg.’
De man glimlacht kort. ‘Net genoeg. Dat is vaak te weinig.’
‘En bij jou is het altijd te veel.’
Even kijken ze naar buiten. Een vrouw zet haar fiets tegen een boom en loopt weg. De fiets valt om.
‘Hoe zou jij dat beschrijven?’ vraagt de man.
De ander haalt zijn schouders op. ‘Niet.’
‘Niet? Ze zet hem neer en zodra ze weg is, ligt hij plat.’
‘Ik zou het weglaten.’
‘Zonde.’
‘Noodzaak,’ zegt de ander.
‘Luister,’ vervolgt de man. ‘Als iemand verdriet heeft, dan wil ik dat je dat voelt. Dat het zich om je heen sluit.’
‘Laat hem zijn glas neerzetten zonder te drinken,’ zegt de ander. ‘Dan voel je het ook.’
‘Misschien niet.’
‘Misschien wel.’
De man draait zijn glas een kwartslag. Het piept over het tafelblad.
‘Je laat te veel over aan de lezer,’ zegt hij.
‘Je geeft de lezer geen enkele ruimte,’ zegt de ander.
Hij steekt zijn hand op naar de serveerster en wrijft zijn duim en wijsvinger over elkaar.
De serveerster komt. Ze legt de rekening tussen hen in, laat haar vingers er even op rusten.
‘Wie betaalt?’ vraagt ze.
Ze kijken elkaar aan.
‘Dat hangt ervan af,’ zegt de man.
‘Waarvan?’
Hij schuift het bonnetje iets naar voren. ‘Van wie er gelijk heeft.’
De ander pakt zijn jas van de stoel, staat op. Hij legt geld neer zonder te tellen.
‘Dat ga je niet winnen,’ zegt hij.
De man blijft zitten. Hij kijkt naar het bier, naar de lege stoel.
‘Misschien,’ zegt hij. Hij pakt zijn pen, trekt het bonnetje naar zich toe en schrijft iets op de achterkant. Daarna schuift hij het terug.
De ander strekt zijn arm, zijn hand hangt boven het bonnetje. Hij steekt zijn hand op en loopt naar de uitgang.
Het licht verandert, maar niemand noemt het.
Log in om te reageren
'Buiten schuift de middag langs de gevels.' Schitterende zin. Maar,,.'In de spiegel achter de bar zien ze zichzelf. Twee mannen aan een tafeltje. Iets voorover, allebei.' Ik zie ze niet. 'Even kijken ze naar buiten. Iemand parkeert scheef in. Een fiets valt om.' Dat is je format, Maar het voegt voor...
Bedankt voor je reactie, Angus. Je opmerkingen snijden hout en ik heb er iets mee gedaan. Je dwingt me scherp te zijn. 👍