Hij komt binnen in de centrale hal van het appartementencomplex. Onder het brievenbussenblok ligt een sleutelbos. Hij raapt hem op, weegt hem even in zijn hand.
De deuren van de lift schuiven open.
De vrouw van 2B stapt de hal in. Ze draagt een helderblauw uniform en een wit sjaaltje.
Haar ogen dwalen rond.
‘Mijn sleutels,’ zegt ze. ‘Ik ben ze kwijt.’
Hij sluit zijn hand om de sleutelbos.
‘Hoe bent u dan binnengekomen?’ vraagt hij.
‘Er ging net iemand naar buiten.’
Hij kijkt om zich heen, stapt naar buiten.
‘Hier zijn ze niet,’ zegt hij.
Ze zucht en drukt op de liftknop.
‘Gaat u naar boven?’ vraagt ze.
Hij klopt een paar keer op zijn buik. ‘Ik neem de trap.’
Ze staat voor haar deur, naast haar rolkoffer.
Hij kijkt vanaf de trap toe.
Haar hand gaat langs haar jas, zoekt in haar tas.
‘Verdomme.’
Haar hand verdwijnt achter de ingelijste poster aan de muur.
Ze haalt een sleutel tevoorschijn, opent de deur en gaat met de koffer naar binnen.
De deur valt dicht.
Hij blijft staan, zijn hand om de sleutelbos in zijn jaszak.
~
De dagen erna wacht hij op het getik van haar hakken, het ratelen van de wieltjes onder de koffer.
Een minuut of tien later loopt hij de gang in.
Voor 2B blijft hij staan luisteren.
Niets.
Hij steekt de sleutel in het slot en draait hem om.
Onder de kapstok staan haar schoenen. Hij pakt er een. Het leer is zacht en soepel. In het lichtbruine binnenzooltje is een patroon van gaatjes. Hij buigt zijn hoofd.
Hij loopt door naar de keuken. Opent een kastje, sluit het weer.
In de vensterbank staat een vetplant. Hij wrijft wat aarde fijn tussen zijn duim en vingers. In het gootsteenkastje vindt hij een gieter. Hij vult hem en geeft de plant water. De gieter zet hij terug zonder hem leeg te gieten.
Hij loopt door de kamers. In de slaapkamer trekt hij een lade open, strijkt kort met zijn vingers over het bovenste slipje en schuift hem weer dicht.
Als hij weggaat, staat hij een moment stil in de deuropening.
Kijkt nog één keer om.
~
De volgende dag klopt hij op de deur van 2B.
Ze doet open.
Hij houdt de sleutelbos omhoog.
‘Ze lagen in mijn brievenbus,’ zegt hij.
Ze kijkt naar de sleutels zonder ze meteen aan te pakken.
‘Jouw brievenbus?’
Hij knikt.
‘Vreemd,’ zegt ze.
Hij haalt zijn schouders op.
‘Een vergissing.’
Ze kijkt nog even naar de sleutels.
Dan pakt ze ze aan.
‘Nou ja.’ Ze draait zich al half om. ‘Fijn dat ze er weer zijn.’
De deur blijft nog even open.
Hij staat er nog.
Dan gaat de deur dicht.
~
Ze blijft twee dagen thuis.
Dan hoort hij haar hakken en het geratel van de rolkoffer in de gang.
Hij opent de deur op een kier en ziet nog net de koffer in de lift verdwijnen.
Als hij beneden de voordeur dicht hoort slaan, blijft hij nog even staan. Dan loopt hij naar haar deur.
De sleutel zit achter de poster.
Binnen trekt hij zijn schoenen uit en zet ze naast die van haar.
In de slaapkamer kleedt hij zich uit. Hij gaat op de rand van het bed zitten. Hij haalt haar kussen naar zich toe, drukt zijn neus erin. Komt weer overeind.
In de badkamer blijft hij staan voor de spiegel, beide handen op de rand van de wastafel.
Hij draait de douchekraan open, wacht tot het water warm is en stapt eronder, zijn hoofd in zijn nek, de straal in zijn gezicht. Hij sluit zijn ogen. Na een minuut of tien draait hij de kraan dicht. Stilte.
Dan hoort hij het. Wielen over de vloer.
Hij stapt uit de douche. Water loopt langs zijn benen. Hij grijpt een handdoek en slaat die om zich heen.
Hij duwt de badkamerdeur die op een kier staat verder open.
Ze staat in de gang. Haar hand nog op het handvat van de koffer.
Ze kijkt naar hem. Naar het water op de vloer. Naar de handdoek om zijn lenden.
Hij kijkt naar haar.
Geen van beiden zegt iets.
Ze laat de koffer los.
‘Wat is dit?’
Ze loopt langs hem en raakt daarbij zijn schouder.
Voor de spiegel blijft ze staan. Met haar hand veegt ze een wak in de condens.
Ze kijkt naar zichzelf. Dan naar hem, via het glas.
‘Doe je dit vaker?’
Hij haalt zijn schouders op.
Ze knikt één keer, loopt terug naar de gang en opent de voordeur. Vanuit de opening kijkt ze hem aan.
Hij komt in haar richting.
Ze doet een halve stap opzij en steekt haar arm uit.
‘De handdoek.’
Hij aarzelt, maar geeft hem.
Hij loopt langs haar de gang in. Meteen sluit ze de deur.
Hij belt aan bij de buren.
Voetstappen. De deur gaat op een kier. Een man kijkt hem aan.
‘Mijn deur is dichtgevallen,’ zegt hij.
De man kijkt langs hem heen de gang in.
Log in om te reageren
Wat een heerlijk, vreemd verhaal. Ik vond dit wel lekker: "In het gootsteenkastje vindt hij een gieter. Hij vult hem en geeft de plant water. De gieter zet hij terug zonder hem leeg te gieten." En dit: "Voor de spiegel blijft ze staan. Met haar hand veegt ze een wak in de condens. Ze kijkt naar ...
Hoi Frederik, En niet ten onrechte... 😃Ik ben een groot liefhebber van zijn verhalen.
Een ongemakkelijk verhaal mooi opgetekend.