De verhuis was voltooid zonder één ruzie. Dat besefte Marc pas toen de verhuiswagen wegreed. Vijftien jaar samen, en geen enkel scherp woord gevallen. Hij keek naar de lege straat, naar de vuilniszakken die achterbleven. Eén zak bewoog. Iets daarin klauwde tegen het plastic.
'Goed gedaan,' zei Sofie.
In de nieuwe woning liep ze direct naar de keuken. Marc volgde haar, zijn schoenen klikkend op de tegels. Alles stond al op zijn plaats. De dozen waren leeg, opgeruimd door iemand die hij niet gezien had.
'Wanneer heb je dat gedaan?'
'Vannacht.' Ze vulde een glas water. Dronk het leeg. Vulde het opnieuw. Dronk. Vulde. 'Ik kon niet slapen.'
Hij liep de gang in. Drie deuren. Badkamer. Slaapkamer. De derde deur stond open.
Lara's kamer. Het tienerbed tegen eenzelfde muur. Het bureau onder het raam. De lamp. De boeken. Alles. Wit geschilderd.
'Sofie...'
Ze stond achter hem. 'Het paste exact.'
'Wanneer…'
'Vannacht.'
Hij deed de deur dicht.
Die avond, in bed, luisterde hij naar haar ademhaling. Regelmatig, vreemd regelmatig. Hij draaide zich om. Haar ogen waren open.
'Slaap je?'
'Nee.'
'Ik ook niet.'
Haar hand lag tussen hen in, vingers gekromd. Onder haar nagels zat witte verf.
'Waarom heb je niks gedaan?' vroeg ze.
Stilte.
'Het touw ligt nog in de verhuiswagen,' zei ze. 'Ik heb het gezien.'
Ze bleven zo liggen. Naast elkaar. Buiten reed een auto voorbij. Het geluid verminderde, verdween.
'Welterusten,' zei Sofie.
Hij deed zijn ogen dicht.
Haar hand bewoog niet.