Nachtshift, kamer 12, kamer 14, kamer 16. Ze duwt de medicijnkar door de gang. TL-licht, linoleum, het piepen van een wiel. Pillen in bekertjes, handtekeningen op lijsten.
Iemand roept.
Ze stopt. Luistert. Hoort het nog een keer, schor.
Kamer 4 misschien? De deur staat open.
Binnen ligt een oude man, half overeind. Zijn ogen vinden haar in het donker.
'Blijf je even?'
Ze gaat op de stoel zitten. Neemt zijn hand. Dunne vingers, koud. Oude-mannenhuid, te veel ruimte tussen bot en vel.
De monitor piept. Zijn ademhaling is oppervlakkig. Twee tellen in, drie tellen uit. De kamer ruikt naar ontsmetting en iets zoetigs dat ze niet kan plaatsen.
Hij zegt niets. Zij ook niet.
Haar ogen vallen dicht. Ze knippert, kijkt naar het raam. Buiten is het nog donker.
Zijn hand ontspant. Zijn ademhaling wordt regelmatiger. Hij sluit zijn ogen.
Ze staat op, legt zijn hand op het laken. Trekt de deur dicht.
Kamer 18, kamer 20. Pillen, handtekeningen. Het wiel piept.
Om zeven uur geeft ze de shift door aan Fatima. Wie morfine kreeg, wie niet mocht eten, welke dokter belde voor kamer 9.
In de auto naar huis kijkt ze naar de stad die wakker wordt. Mensen op weg naar werk. Ze denkt aan boodschappen. Melk, brood, wasmiddel.
Thuis zet ze koffie. Ze moet eigenlijk slapen, maar ze is te moe om te slapen.
Ze pakt het kopje, voelt de warmte tegen haar handpalm.
Wacht.
Iemand riep. Wie was het?
Ze probeert het gezicht terug te halen. Grijs haar? Kaal? Kamer 4? Kamer 6?
Ze weet het niet meer.
Ze drinkt haar koffie. Zet het kopje in de gootsteen. De kraan loopt.