Zijn gezicht verried een familiegeschiedenis die bestond uit generatielange huwelijken tussen neven en nichten. Zijn neus was wanstaltig groot, de ogen stonden te dicht bij elkaar, een kin was nauwelijks waar te nemen en zijn hoofd leek zonder nek op zijn schouders te staan. De blik in zijn ogen was dermate vragend en dof dat je meteen aannam dat het formuleren van de eenvoudigste zin een onoverkomelijke uitdaging voor hem zou zijn. Hetgeen bevestigd werd doordat hij altijd met twee woorden sprak. Niet meer, niet minder. Hij uitte zijn gevoel, behoeftes en mogelijke gedachten met 'Heb honger', 'Moet lachen', 'Is mooi', 'Moet poepen' en vooral 'Begrijp niet' dat dan vaak na een vruchteloze poging tot uitleg werd gevolgd door 'Zal wel'.
De tengere lichaamsbouw en de haperende motoriek waarmee hij zich door het leven bewoog, boorden al vroeg in zijn leven iedere hoop de grond in dat hij zich met fysiek arbeid staande zou kunnen houden.
Dat zijn ouders hem op zevenjarige leeftijd verkochten aan passerende zigeuners die zijn potentie als bedelaar op waarde wisten te schatten, zou je hartverscheurend kunnen noemen. Maar het leven was hard in die tijd. Zeker in de dorpen. Het was overleven. Als rondtrekkende bedelaar maakte hij misschien nog een kans.
Bovendien leek de koper een man van eer, of in ieder geval een man met een eerlijk zakelijk gevoel. Hij toonde geen medelijden, maar benoemde de realiteit.
'Uw zoontje, Darko, is het lelijkste schepsel dat ik ooit heb gezien, maar zijn handen zijn sierlijk. Als hij die omhooghoudt in de steden waar wij komen, zullen ze gevuld worden met geld. Mijn familie zal voor hem zorgen. Natuurlijk zullen we hem kleden in lompen. Maar hij zal het eten en het warme bed krijgen dat hij verdient.'
Er volgde een handdruk en het geld waarvoor, toen, twee koeien konden worden gekocht. Er was een gevoel van machteloosheid en opluchting en van verraad, toen hij zich een laatste keer omdraaide en 'Tot straks.' zei.
Het zou een klein onbeduidend verhaal zijn geweest, een splintertje in het leven van alledag, als de koper zijn geld al rondtrekkend had verdiend met het slijpen van messen en zeisen.
Maar Zoran speelde viool. Zijn familieleden speelden gitaar, klarinet, trompet, trom. Ze reisden de jaarmarkten af en waren welkom, werden betaald voor hun optredens onder de voorwaarde dat ze daarna meteen weer zouden vertrekken.
Het was het lot waarin hij en zijn familie zich hadden geschikt. Vrij maar ook vogelvrij. Voorzichtigheid was altijd geboden.
'Ga nooit de stad in. Bij iedere inbraak, ieder diefstal, zal naar ons worden gewezen. We vragen de winkeliers om naar ons te komen. Ga nooit naar hen.'
Het was overleven.
Het onooglijke manneke plaatste hij uit voorzorg ook altijd aan de rand van de stad met twee duidelijke opdrachten: 'Blijf hier.' 'Steek je hand uit.'
En altijd moest hij die laatste woorden vervangen door het smekende gebaar voor te doen. Vier woorden waren te veel.
Nog zou het verhaal een splinter zijn geweest als Zoran na terugkeer van een optreden, dat te weinig had opgebracht, zijn viool en strijkstok niet teleurgesteld in de hoek van de tent had gegooid. Naast de strozak van Darko.
Hij werd gewekt door zijn eigen noten, tonen. Zijn gevoel.
Feilloos. Uit de tenten van zijn zonen en dochters klonken verwensingen. Gericht aan hem. Hij ontstak de olielamp en zag de fonkeling in Darko's ogen die zich niet bewust was van het licht.
Hij zag de vingers van de sierlijke handen over de hals gaan en hoorde zijn eigen spel. Maar intenser. Het klonk betoverend. Hij hoorde de verwensingen verstommen. Hij keek naar het tentdoek dat werd opengeslagen, zag de verbazing op de gezichten van zijn familie. Hij bracht zijn wijsvinger naar zijn mond en fluisterde: 'Laat Darko spelen'.
'Dit is bijna God.' Zijn jongste dochter knielde. Zij was de enige. Maar hij las geloof in de ogen en vooral het zwijgen van de anderen. Hij hoorde alles wat hij ooit had gespeeld, anders.
'Dit is goud,' fluisterde Zoran.
De volgende dag stuurde hij zijn oudste zoon naar de stad. Hij had gehoord over een nieuwe uitvinding; de grammofoon en platen. Grammofoonplaten. 'Koop er een en koop alle platen met vioolmuziek.'
Het lot van zigeuners was dat ze werden uitgebuit. Altijd en overal. De grammofoon deugde in ieder geval. Dat wel. Ruim meer dan de helft van de platen niet. Caruso klonk prachtig, maar Darko was geen zanger.
'Paganini,' spelde Zoran moeizaam de naam. 'Dat is het. Dat is het.' Na de eerste keer volgde drie keer herkenning.
Hij zwengelde de grammofoon aan en liet Darko luisteren, gaf hem daarna zijn viool.
De kin die er nauwelijks was klemde het hout onvermurwbaar. De neus snoof. De ogen fonkelden. De vingers dansten.
'Nee, dit ís God,' hoorde Zoran zijn dochter zeggen.
'Dit is de duivel,' fluisterde hij. 'Vervoering, niets dan vervoering. Maar dat is wat de mens wil.'
Jaarmarkten werden schouwburgen en theaters.
Theaters werden concertzalen.
Wereldwijd.
'Ik blij.'
Zoran knikte. 'Ik ook.'
'Waarom jij?'
'We zijn.'
Log in om te reageren
Die openingszin is een statement. En dan bouw je daar een heel universum omheen — van de zigeuners, de viool, de grammofoon, tot die climax in de concertzalen. Het twee-woorden-patroon van Darko is briljant. "Begrijp niet" gevolgd door "Zal wel" — daar zit een heel leven in. En die slotdialoog: "Wa...
Die openingszin is een statement. En dan bouw je daar een heel universum omheen van de zigeuners, de viool, de grammofoon, tot die climax in de concertzalen. Het twee-woorden-patroon van Darko is briljant. Begrijp niet gevolgd door Zal wel - daar zit een heel leven in. En die slotdialoog: Waarom ji...