Inhoudswaarschuwing
Waanvoorstellingen

Hoe lang is het geleden? Ik kom uit op zestig. Dat is naar schatting dubbel zoveel dan de leeftijd van die leraar Nederlands toen hij in de klas beweerde dat je moest dromen. Naast een dagboek bijhouden, vond hij het belangrijk om te dromen. Waar hij die zogenaamde wijsheid vandaan haalde weet ik niet, maar het had iets te maken met het graven in het onderbewuste.
Ik vermoed dat de man niet meer leeft, anders had ik hem het goede nieuws kunnen melden dat ik tegenwoordig de indruk heb permanent in dromenland te vertoeven. Ik had hem destijds de vraag moeten stellen waarom dromen een werkwoord is, maar het woord nachtmerriën niet bestaat? Dat past namelijk beter bij de helse toestanden die zich in mijn kop afspelen. Niet alleen ’s nachts trouwens, ook door de dag heb ik dagmerries.
Er komen mensen bij mij over de vloer die beweren dat ik een mooi leven achter de rug heb. Wie zij zijn weet ik niet. Sommigen beweren dat ze familie van mij zijn. Ach, ik laat ze maar in hun waan, wie ben ik om hen tegen te spreken. Het is niet omdat ze verwanten zouden zijn, dat ze mij dingen mogen verbieden. Zoals rijden bijvoorbeeld. Mijn auto is trouwens verdwenen. Er staat nog enkel een oude fiets in de garage, maar daar mag ik ook niet mee op de baan. Het huis waarin ik woon is het mijne, dat weet ik wel zeker. Het achterliggende tuintje staat vol met planten en zelfs bomen die ik zelf ooit gepland heb. Ik zit graag in de tuin. Laatst dacht ik dat het einde van de wereld nabij was. Toen was er een hevige storm opgestoken die wel drie bomen ontworteld had. Een ervan was op het dak van het huis beland. Iets later kwam ik uit een roes en zag ik dat er niets aan de hand was.
Wat haat ik het als ik deze waanvoorstellingen krijg. Pilletjes, ja, die slik ik elke dag. Waarvoor ze dienen, weet ik nog amper en het interesseert mij ook niet. Mijn dokter beweert dat ze nodig zijn om de draadjes in mijn hoofd te activeren. Zelf vind ik het niet nodig. Het liefst wil ik al die draden doorknippen. Ze moeten toch ooit eens stoppen, die dwaze wilde merries die rondspoken bij klaarlichte dag of in het pikkedonker.
Zestig jaar later en die leraar Nederlands spookt nog steeds door je hoofd - dat is toch het bewijs dat hij gelijk had. Die vraag over dromen als werkwoord maar nachtmerriën niet: dat zit nu ook in mijn hoofd. Goed gedaan.