
Mijn grootmoeder baarde twaalf kinderen, geen enkele deed ertoe, behalve de slungel die besloot mijn vader te worden.
Hij was de zevende, en zevende kinderen zijn anders, zei ze altijd zonder verdere uitleg. Zijn naam was Evert. Mijn grootmoeder noemde hem nooit bij zijn naam. Ze noemde hem hem, of die van mij, of helemaal niets. Ze keek dan alleen zijn kant op.
Ze woonden in een huis dat te klein was voor veertien mensen. Mijn vader sliep op een stretcher in de bijkeuken, naast de mand van de hond die al jaren dood was.
Ik weet dit omdat hij het me vertelde op een avond dat de televisie stuk was. Hij zat aan de keukentafel met zijn handen om een mok thee. Hij zei: Het was geen ongelukkige jeugd. Ik geloofde hem.
Van de andere elf kinderen weet ik weinig. Eén stierf jong. Twee emigreerden. De rest verspreidde zich over het land en werd onzichtbaar.
Mijn grootmoeder werd tweeëntachtig. Op haar verjaardag belden drie van de elf. Mijn vader reed vier uur om er te zijn. Ze deed de deur open. ‘Oh,’ zei ze, 'jij.’
Hij at haar vlaai en reed vier uur terug.
Ik vroeg hem later of het hem kwetste. Hij dacht lang na. Toen zei hij: Ze heeft twaalf keer haar lijf gegeven. Dat is al veel.
Ik denk nog vaak aan die hondenmand in de bijkeuken.
Ik ben het met Edwin eens. De eerste was mooi, deze vind ik mooier. Tussen de regels door staat er heel veel, knap gedaan! Pa kreeg weinig, maar het verhaal doet vermoeden de andere 10 nog minder. ZGG!