
Uitbundig vieren wij haar verjaardag. Vierentachtig wordt ze. De jonge dokter, die ze consulteert omdat hij ‘een zo knappe kerel is’, taxeert haar conditie op ruim twintig jaar jonger.
Oma Lidy is nog een prompte dame. Aan vrienden toonde ik haar jeugdfoto’s, bewerend dat zij mijn vriendin was. Dat is niet gelogen, want wij hebben een zeer vriendschappelijke band. Ze staat er op dat ik haar tutoyeer. In een boek over adellijke families las ze ooit dat grootouders zich in die kringen altijd met de voornaam laten aanspreken. Zij gebruikt steevast het troetelnaampje dat ze voor mij bedacht toen ik baby was: ‘Bobolino’. Mijn nochtans zwarte kinbegroeiing belet haar niet mij steeds te begroeten met: ‘Bobolino amore, mio Barbarossa!’
Destijds rookte ze, niet voor het roken zelf, maar om te pronken met haar lange sigarethouder à la Hepburn in Breakfast at Tiffany’s. Net als Audrey bezit Lidy die geïncarneerde elegantie. Ze is altijd welgezind, wat haar jeugdig voorkomen extra in de verf zet. Glanzend hagelwit geworden zijn haar naar sprookjes refererende ravenzwarte haren van weleer, voor deze gelegenheid opgestoken door een oudere kapster.
“Je kan niet voor alles op jonge goden een beroep doen”.
Het kapsel past perfect bij de wijnrode fluwelen outfit die ze zich voor haar vierentachtig lentes heeft aangeschaft.
“Het staat je beeldig, Lidy.”
“De prix neggens voor begemmen”, antwoordt ze.
“Wat zei je nu?” vraag ik.
“De prix neggens voor begemmen”, zegt ze opnieuw.
“Oma, ik versta er echt niets van”, zeg ik.
“Oh, gaan we het zo spelen. Ben ik nu plots jouw oma omdat jij doof begint te worden”, zegt ze verbijsterd.
“Sorry Lidy, maar ik versta je niet”, antwoord ik beteuterd.
“Laat maar Bobo, haal nog een drankje.”
Ik druip af op zoek naar een glaasje premier cru brut, die ze in de supermarkt op de kop heeft getikt. Met hangende oortjes overhandig ik haar de bubbels.
“Echt, schat, je moet jouw oren laten nakijken”, zegt ze bezorgd. Ze ziet mijn bedrukt gezicht, heft haar glas en vraagt: “Hoe vind je mijn nieuwe ontdekking? Du Champagne Veuve Hémard!”
“Lekker”, stamel ik.
“Ken je de voornaam van de man zaliger van die weduwe?” vraagt Lidy.
“Neen”, zeg ik.
“Jean! Jean Hémard - J’en ai marre!” schatert ze.
Wij proesten het uit en klinken op onze vriendschap.
Later krijg ik in een hoorcentrum te horen dat er met mijn gehoor niets mis is.
😊 Leuk om te lezen!