Mooi man
Op de parkeerplaats van het hondenbos loopt ze ons, mijn hond en mij, tegemoet. Een blauwgrijs jack losjes om haar heupen, de mouwen geknoopt. Haar hond volgt op een afstandje. Als ze me herkent, glimlacht ze.
‘Hoe gaat het met je?’ vraag ik.
‘Beter. Van de week voor het eerst weer gewerkt. Twee uurtjes. Maar nu Buster…’
Ze zakt door haar knieën en aait de hond over zijn kop. ‘Hetzelfde wat ik had. Hij is dertien, hè?’
‘Zolang hij nog rondsnuffelt en eet.’
‘Precies. Oh, en mijn schoonzuster. Nog vijf maanden. Mét chemo en bestraling.’
Ze haalt een zakdoekje uit haar jaszak. Houdt het even vast.
We staan.
‘Ik ben voor het eerst buiten deze week,’ zeg ik. ‘Verkoudheid.’
Ze maakt een prop van het zakdoekje.
‘Hoe oud ben jij?’
‘Drieënzeventig.’
Ze tuit haar lippen.
‘Mooi man.’