Ik had haar sleutel nog. Liet mezelf binnen terwijl zij werkte. Kaarsen, rozen en zelfgemaakte tiramisu. Op het aanrecht lag haar telefoon. Een bericht: vanavond bij mij, schat? Niet mijn naam eronder.
Ik trok haar ladekast open. Het rode setje dat ik voor haar had gekocht lag vooraan. Recent gedragen. Niet voor mij gedragen.
Ik drukte het tegen mijn gezicht. Rook haar. Rook ook hem.
Toen stak ik de kaarsen aan. De tiramisu als brandstof. Het setje als lont. Onder de gordijnen.
Buiten gooide ik de sleutel in de gracht en waste ik mijn handen.
Die verdomde geur bleef.