‘Zal ik u even helpen?’
‘Dat zou heel fijn zijn.’ Ze schonk me een glimlach. ‘Jullie Nederlanders zijn zo mooi lang.’
Het kostte me desondanks nog de nodige moeite haar koffer in het bagagerek te krijgen. Mijn pols schraapte langs de wieltjes van mijn eigen exemplaar. Het liet een kras achter, maar bloeden deed het gelukkig niet.
‘Reist u ook tot Berlijn?’ Haar Duitse accent schemerde door zoals een uitgegumde onderschets bij een bepaalde lichtinval plots zichtbaar wordt.
Ik knikte en rolde mijn mouw naar beneden. De trein zette zich in beweging. Het schroeiende gevoel bij mijn pols leek wat weg te trekken onder het zachte katoen van mijn pasgestreken overhemd.
De vrouw was schuin tegenover mij gaan zitten. Haar rugtas had ze op de lege plaats naast haar neergezet. Ze rommelde er wat in rond, haalde er een boek uit en een thermosfles.
Het boek kende ik niet.
‘Open mij in Hannover’ stond er op de envelop die als boekenlegger diende en die heel even op het tafeltje belandde. Gauw pakte ze hem weer op. Ze maakte oogcontact toen ze de envelop achter in de kaft van haar boek plaatste.
‘Zou u het doen?’ vroeg ze.
‘Die envelop openmaken?’ Ik voelde me betrapt. ‘Het spijt me, mijn ogen blijven nu eenmaal aan letters plakken. Het maakt niet uit wat het is: een pak cornflakes, een krant…’
‘Ik ken het, het geeft niet, maar zou u het doen?’
‘Natuurlijk.’
‘Hij weet me wel voor blok te zetten. Mijn man…’
Het was toen dat ik zag dat ze huilde.
‘…we zouden deze reis eigenlijk samen maken.’ Ze keek uit het raam. Het landschap dat aan ons voorbijschoot leek ze niet echt te zien. Haar blik was naar binnen gericht. ‘Voor hem is het makkelijk, alles is makkelijker als je dood bent.’
‘Maar u bent toch op reis gegaan. Dat is heel knap.’
‘Ik ben dom. Ik had hem ook thuis kunnen openmaken.’ Ze veegde met de rug van haar hand haar tranen uit haar gezicht. Iets van een glimlach kwam tevoorschijn. ‘Zijn Nederlanders ook zo volgzaam?’
‘Reken maar.’
Ze schoof haar wijsvinger onder de rand van de envelop. ‘Alleen al zijn handschrift zien maakt dat ik moet huilen.’ Vervolgens trok ze de envelop open. ‘Ik wist dat hij ergens mee bezig was…hij joeg me steeds de ziekenhuiskamer uit. “Niet spieken”, zei hij dan.’
Ze viel stil en haalde een zakdoekje uit de envelop tevoorschijn. Er was een mannetje op geborduurd. De trein reed Hannover binnen.
‘Kunt u deze zo vasthouden?’
Ik deed wat ze van me vroeg. Hield het lapje stof voor me, alsof het een spandoekje was. Ze maakte een foto van mij met het lapje stof.
Toen we uren later in Berlijn aankwamen, gaf ze me bij ons afscheid de zakdoek.
‘Nu is het uw beurt. Geef de zakdoek door. De foto mag naar dat mailadres.’ Ze wees op het labeltje dat op de achterkant was vastgenaaid: wezijnermaareven@gmail.com
Log in om te reageren
Dankje Nicoline!
Prachtig verteld, en prachtig verwoord. wijzijnermaareven ... ik werd er stil van. ZGG
Dankje Tony!
Dankje Edwin, het heeft een gelijkenis in die zin dat iemand met een accent dit na lange beoefening van de nieuwe taal verbergen wil, net zoals een kunstenaar het niet leuk vindt als de schets nog zichtbaar is, het leerproces, het oefenproces, maar dat het toch bij bepaalde woorden (of in het geval ...
Hallo Emmy, Een mooi idee, het verhaal en het idee in het verhaal. Bij de vergelijking tussen het accent en de onderschets bleef ik ook even hangen. Moest er te veel bij nadenken om het te kunnen visualiseren. De zin >>Het was toen dat ik zag dat ze huilde.<< zou ik eenvoudiger houden: ik zag d...
Dankje Ancenita!