Hij zit op de grond, de munten voor zich uitgespreid. Als hij ze op een hoop veegt, rinkelen ze zacht tegen elkaar.
Buiten is het donker geworden. Er klinkt geschuifel op de binnenplaats. Iemand hoest. Een deur valt dicht.
Hij pakt één munt op, houdt hem tussen duim en wijsvinger. Het licht van de olielamp weerkaatst erin. Hij legt hem terug. Begint te tellen, maar raakt de tel kwijt. Begint opnieuw.
Er wordt op de deur geklopt.
Hij kijkt niet op.
Nog eens.
‘Ga weg,’ zegt hij.
Het blijft stil. Dan voetstappen die zich verwijderen.
Hij trekt zijn mantel dichter om zich heen. Die ruikt naar stof en zweet.
Hij ziet weer hoe hij hem aankijkt. De rust in zijn ogen.
‘Vriend.’
Hij schuift de munten bij elkaar, pakt ze op en doet ze in zijn buidel.
Hij bindt de buidel dicht.
De nacht is koel. De straat leeg.
Hij loopt, eerst langzaam, dan sneller.
Bij de trappen van de tempel houdt hij in. Er brandt licht. Stemmen, gedempt.
Hij loopt naar boven. Bij elke trede slaat de buidel tegen zijn heup.
Boven blijft hij staan. Zijn hand om het koord.
Hij leunt met zijn voorhoofd tegen de deur.
Dan duwt hij hem open.
Dit bevalt me. 'Bij de trappen van de tempel houdt hij in. Er brandt licht. Stemmen, gedempt. Hij loopt naar boven. Bij elke trede slaat de buidel tegen zijn heup. Boven blijft hij staan. Zijn hand om het koord. Hij leunt met zijn voorhoofd tegen de deur.' De twijfel en het schuldgevoel dat uitein...