Ik dwaal door Sinomme, het stadje waar Doré vandaan kwam. Net zo achteloos als zij laat ik me meevoeren door de straten en proef ik de omgeving.
Mijn enkels voelen inmiddels stijf en mijn voeten zijn verzadigd van de parken, standbeelden en kerken.
Ik heb nog één laatste plek om te bezoeken: de ijssalon waar ik Doré heb ontmoet. Als ze lachte, verschenen er kleine rimpeltjes bij haar neus – het geheime ingrediënt voor het beste ijs ter wereld.
Bij een straat aan de rand van de stad vormen hoge huizen een bochtige kloof, overspannen door een stenen brug. Hier merk ik wat Doré altijd bedoelde.
Dit was haar route van werk naar huis. Ze snoof de lucht op, zei ze, alsof de straat haar iets toe fluisterde; een mengelmoes van geuren, met soms een speelse toets, zoals het teer van oliesporen op nat asfalt.
Het rubber van banden ribbelt rustig langs me heen. Af en toe raakt de grijze ruis overspoeld door het gebrom van een optrekkende motor.
‘Hoor je ook de zee?’
Ik blijf staan. Dorés stem. Ik kijk om me heen, maar zie haar niet. Ook geen branding. Alleen de bergen.
Een Vespa met een scherpe toon sjirpt langs het verkeer. En dan zie ik het: een glimp van een promenade aan een Italiaans strand. Doré danst om me heen. Ze spreidt haar armen en maakt een pirouette, vangt warme regendruppels in haar gezicht. Terwijl ik glimlachend achter haar aan loop, proef ik het pistache-ijs al op mijn tong.
Doré haakt haar arm in de mijne en wijst naar een betonnen gebouw; een bijenkorf met talloze kleine ramen.
‘Al die lichtjes,’ zegt ze, ‘het zijn net sterren.’
Ik zucht. Achter elk lampje speelt een kind, eet een gezin aan tafel, of leest iemand rustig op een sofa.
De sterrenlucht van glas en staal steekt af tegen de rauwe muren. Ze zijn gerimpeld en gekrast. De straat is bedekt met donkere kauwgomplekken. Stukken pleisterwerk brokkelen af. Doré was dol op de graffiti's – haar eigen lichaam had immers ook een hele verzameling tatoeages.
Aan het einde van mijn dooltocht doemt een steegje op met gele plaveien die glanzen in de regen. Doré trekt aan mijn mouw. ‘Kijk, een weg van gele stenen.’
Ik blijf staan. Ik ken deze plek helemaal niet, maar het lijkt alsof het mij wel kent.
'Op zo'n weggetje moet je niet rechtdoor gaan, maar krom.’ Haar zilveren schoenen tikken over de stenen totdat ze verdwijnt.
De woorden van Doré dirigeren me de hoek om, waar ik stuit op een zware deur gesneden van ebbenhout. In gotische letters staat erboven: 'Café Memoria'.
Fakkels werpen bevende schaduwen op de muren. Kan ik hier zo naar binnen gaan? Misschien is dit het hoofdkwartier van een sekte? Mijn twijfel duurt kort en verliest al gauw van mijn knorrende maag en droge keel.
Binnen verspreiden kaarsen warme geuren van nootmuskaat en kaneel. Het zachte geroezemoes voelt als een warme wollen trui.
Ik schuif aan op een lege kruk aan de bar. De barvrouw gunt me een korte blik en gaat onverstoorbaar verder met het poetsen van glazen. Op haar gilet prijkt een naambordje.
‘Eh… Méfie St. O’Pheles? Heeft u een menukaart?’
Ze schuift me een dik boek vol raadselachtige namen toe: Peer’s Tropical Lady, Sexe sur la Rhône, Sinomme Sunset.
‘Zijn dit cocktails?’
‘Een aanrader,’ klinkt een hoge stem verderop. Het is een gezette oude man met een bol gezicht en vrolijke ogen. ‘Die eerste is mijn recept.’ Hij steekt zijn hand uit. ‘Ik ben Peer.’
Ik blader verder door de duizelingwekkend lange lijst. Terwijl mijn vingers over de inkt op het perkament glijden, voel ik de letters van Peer’s Tropical Lady prikkelen tegen mijn vingertoppen.
‘Oké, dan neem ik die.’
Méfie kijkt me bedenkelijk aan zodra ik mijn keuze maak. Ze houdt een servetje paraat, maar wacht een paar tellen voordat ze het bij mij neerlegt.
‘Peers drankje is niet voor beginners,’ waarschuwt ze. ‘Jij kijkt te ernstig. Je kan wel wat meer lachen.’
Ik haal mijn schouders op en kijk naar Peer.
Hij wuift haar weg met een handgebaar.
‘Neem het maar.’
Terwijl ze de fles pakt houdt ze me nauwlettend in de gaten vanuit haar ooghoeken. Ze krabbelt iets op een kladblok en plaatst een klein koperen glaasje met een rietsuikerrand op mijn servet.
‘Weet je het zeker?’
Ik knik.
'Sommige mensen blijven hier te lang.’
‘Ik neem er maar ééntje – ik ga zo nog naar de ijssalon.’
De kurk komt los met een luide plop. Méfie zucht en schenkt het brouwsel uit de pikzwarte fles. Het ruikt naar donkere rum: houtig, walnoot, mango. Ik sluit mijn ogen, neem een slok.
~ Een vage gedaante flitst voor me langs. Een donkere vrouw. Haar gezicht is onduidelijk maar het bloemige parfum blijft hangen. Even streelt haar adem mijn gezicht, gevolgd door een duw op mijn borstbeen. Haar handen glijden over mijn lijf. ~
Verschrikt open ik mijn ogen. Mijn huid tintelt nog na.
‘Wat was dat!?’
‘Malaika,’ glimlacht Peer, ‘mijn allereerste kus.’
‘Hè?’
Méfie lacht terwijl ze een bakje met cashewnoten voor me neerzet. ‘Herinneringen,’ zegt ze koeltjes. ‘Dat zit in al mijn cocktails.’
‘Is dat uw herinnering?’
‘Ik weet het niet,’ zegt Peer twijfelend. ‘Het is bij iedereen een beetje anders.’ Hij wiegt zijn drankje in zijn glas, en houdt het tegen het licht. ‘Mijn eigen versies zijn denk ik het beste.’
‘Wat is dat voor drank?’
Hij krijgt een brede glimlach. ‘Dit is moedermelk.’
Ik kijk naar Méfie. Ze knikt.
‘Voor de meesten is het te lang geleden, maar ik koester de herinnering. Mijn dochtertje in de armen – de fles geven. Soms testte ik een paar druppels. Voor de temperatuur, weet je. Of misschien, was ik gewoon nieuwsgierig.’
Hij schuift me zijn glaasje toe. ‘Proeven?’
Het voelt warm. Vreemd. Het lijkt gewone melk, iets zoetig en wat grassig, maar ook iets anders.
Ik frons. ‘Het smaakt een beetje metalig… vissig?’
‘Ingevroren volgens authentiek recept,’ zegt Méfie terwijl ze haar armen over elkaar slaat. ‘Doe je ogen maar dicht.’
Ik geef er aan toe en sluit verwachtingsvol mijn ogen.
~ Ik zweef in een bad van zout water. De muren om me heen trillen.
'Doré, ben jij dat?’
Ik trap tegen de zachte wanden, en stuiter als een echo door de ruimte.
'Doré, ben je daar?’
Mijn woorden blijven zich herhalen, tot ik verdrink in de weerkaatsing. ~
Een harde hand grijpt me in mijn nek.
‘Terugkomen,’ sist een stem.
Er wordt iets kouds tussen mijn tanden geduwd. Een scherpe smaak trekt mijn kaken samen; de tranen springen in mijn ogen. Het zoute water maakt plaats voor een fris zuur.
‘Nu weer sluiten!’ beveelt Méfie.
Het zwart komt weer voor mijn ogen.
~ Ik slaap, in bed, naast Doré. Geurige koffie. Knapperige croissants. Zoete limonade.
Ik kruip tegen haar aan.
Doré draait naar me toe.
Ze fluistert in mijn oor: ‘Wakker worden.’ ~
Ik hap naar adem. Een wrange citroensmaak plakt in mijn mond.
Als ik mijn ogen open, zie ik Peer verschijnen. Zijn blik is bezorgd. ‘Dat ging maar net goed,’ mompelt hij.
‘Wat is in hemelsnaam jouw herinnering daar?’
‘Geen idee,’ zeg ik. Ik klap mijn portemonnee open en staar naar de echo-foto naast de afbeelding van Doré. ‘Ze hebben het nooit gehaald.’
Peer zwijgt.
Ik veeg tranen van mijn wangen.
‘Waarom die citroen?’
‘Dat weet toch iedereen,’ zegt Peer met een weids gebaar. ‘Zoete limonade.’
Méfie schampert. Ze opent een fles tequila, schenkt een glas tot de rand vol, en slaat het in één teug achterover. Dan pakt ze een halve citroen en bijt er diep in tot het sap over haar kin loopt.
Zonder een spier in haar gezicht te vertrekken buigt ze naar me toe. ‘Snoep hier niet te veel van het zoete. De rekening is altijd zuur.’
Peer schudt zijn hoofd en schuift Méfies citroen opzij. Hij nipt een kleine slok, zijn ogen worden vochtig.
‘Dit zijn zoete tranen hoor,’ piept hij terwijl hij zijn ogen sluit. ‘Fijne herinneringen ... en stinkende poepluiers.’
Ik wenk naar Méfie en tel de briefjes in mijn portemonnee.
‘Wat ben ik je schuldig?’
‘Je rekening is al betaald.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Kijk maar in het boek,’ zegt ze, ‘op de laatste pagina.’
Ik staar naar de letters die lijken te dansen op het perkament. In verse glimmende inkt staat daar:
Dorés pistache lach.
‘Wat? Is dit een grap?’ Ik kijk om me heen. De andere gasten babbelen ongestoord door.
Ik knijp mijn ogen dicht, probeer haar voor de geest te halen. De rimpeltjes bij haar neus, de soepele beweging van de ijslepel. Maar het beeld blijft wazig. Ik zie slechts vage contouren. Het mist iets. Het voelt niet echt. De warmte die ik altijd voelde bij haar ijs – het is weg.
Ik grijp naar de tequila op de bar, smachtend naar nog een flits, hoe pijnlijk ook.
Méfie schuift de fles buiten mijn bereik.
'Nee, niet blijven hangen nu.’
‘Wat heb je gedaan?’ vraag ik haar.
‘Ik niets.’ zegt ze terwijl ze nerveus wat shag in een vloeipapiertje rolt.
‘Maar ik wilde dit niet!’
‘Ik vind het ook niet fijn hoor. Het is mijn baas. Dit zijn de huisregels.’
Ik grijp de rand van de tafel vast. Ga ik dan Dorés glimlach in dit café verliezen? Mijn adem stokt.
‘Peer, doe iets.’
Hij werpt zijn handen in de lucht.
‘Ik weet het ook niet Méfie.’
Daarna klopt hij zacht op mijn rug.
‘Uh, die Méfie is niet zo zwart-wit hoor,’ mompelt Peer. ‘Het zit ertussen.’ Hij staart naar het plafond, op zoek naar woorden. ‘Zonder zwart blijven pagina's leeg.’
Ik kijk Peer star aan, mijn ademhaling is kort en schokkerig.
‘Laat die oude lucht eruit,’ zegt hij zacht. ‘Adem schone in.’
Ik haal diep adem.
‘Je moet niet achteruit willen gaan, maar rechtdoor.’
Er verschijnen kleine rimpels langs zijn neus. Hij buigt naar me toe. ‘En nog beter is het,’ fluistert hij, ‘wanneer je krom gaat.’
‘Oké? Maar hoe betaal ik dat recept dan?’
‘Gewoon, de deur uit gaan.’
Verslagen zit ik stil op mijn kruk, tot er iets in me is dat los laat. Voor het eerst in maanden voelt de lucht niet langer als lood.
In een langzame beweging trek ik mijn jas aan. Bij de deur kijk ik nog eens achterom. Peers ogen vluchten weg naar zijn glas met moedermelk. Méfie proeft van een bakje ijs en bijt dan weer in haar citroen.
Ik duw de zware deur open en stap naar buiten. Vertwijfeld maar ook gelijkmoedig.
De regen is opgedroogd, de geur is weer grijs. Ik probeer te bedenken: wat heeft Méfie mij afgenomen? Ik voel dat er iets weg is, maar wat?
Vreemd genoeg deert het me niet. Ik voel me lichter. Al weet ik niet helemaal hoe.
Ik loop terug naar het hotel.
Misschien hebben ze daar ijs.
Ik heb trek.