Opgewonden komt Roeriki aanvliegen door een open dakraam in de stal. Ze landt voor de poten van de herder en begint wild in zijn vacht te pikken. Geeuwend opent de herder een oog. Langzaam krijgt een wazige Roeriki gestalte.
“Roeriki, wat doe jij hier zo vroeg?”
“Kijk dit aan mijn poot.”
De herder ziet alleen een klein rond kokertje.
“Ik heb zojuist post gebracht bij de boer. Nieuws. Nederland is bevrijd.”
Wip en Jip komen dichterbij om polshoogte te nemen. “Zijn het de Amerikanen? Krijgen wij eindelijk weer whiskasbrokken?”
“Ach nee,” blaft de herder, “wat maakt het uit voor ons dieren? Duits of Amerikaans, het is één pot nat. Roeriki, wat vind jij?”
“Nou, ik heb veel gezien op mijn reizen. Die Duitse mensen stoppen zelfs hun eigen soort in krappe hokken. Zelfs Knorrebeer heeft een betere plek.“
De boer loopt langs en verstoort hun gesprek. Hij schuift een strobaal opzij en opent een luik. Hij roept iets vreemds: “Mentshn, di bafrayung.” Er komt een man uit gekropen, en dan een vrouw, en een klein kind. De dieren zijn verbaasd.
“Krijg nou wat. Wisten jullie daarvan?”
“Houdt onze boer mensen vast? Net zoals de Duitsers?”
“Waarom zijn ze zo wit en mager?”
“Zie je wel,” zeggen Wip en Jip in koor, “wij dieren hebben het best wel goed.”
Dan loopt de boer naar het hok van Knorrebeer. “Ja jongen, het is tijd om te gaan. Het is feest in de grote stad. We krijgen weer veel geld.”
De boer duwt hem in een houten karretje. Knorrebeer tuurt sip door een kier. Hij zoekt de anderen en probeert gedag te zeggen.
Wip en Jip staren naar het brakke wagentje met Knorrebeer. Droevig, maar blij voor Knorrebeer. “Die heeft mazzel.”
De herder zakt weer in zijn slaap.
Roeriki koert fluisterend zachtjes: “Tof.”
[Reactie verwijderd op 4 maart 2026 om 06:32]