‘Het was weer zover,’ zegt ze.
De soep dampt boven de borden. De vader zit aan het hoofd van de tafel, mouwen opgestroopt, handen nog rood van het werk. De moeder roert in haar bord zonder te eten.
‘Ze hadden het druk,’ zegt ze.
De vader knikt. Hij schept een lepel vol, blaast erop, legt hem terug.
‘Dat zeiden ze vorige week ook,’ zegt ze.
Hij schuift zijn stoel een paar centimeter naar achteren. Het hout piept over de tegels.
‘We redden het wel,’ zegt hij.
De jongen zit aan het uiteinde van de tafel. Zijn voeten raken de grond nog niet. Hij laat ze tegen de tafelpoot tikken. Tik. Tik.
De moeder staat op, zet de pan terug op het fornuis. De deksel rammelt.
‘Ze lieten me niet eens uitpraten.’
De vader kijkt naar het zwarte randje onder zijn nagels. Hij krabt eraan met zijn duim. Hij breekt een stuk brood af.
‘Misschien kun je morgen weer gaan. Vroeg.’
De moeder lacht kort.
‘En dan?’
Hij opent zijn mond. Er komt niets. Zijn hand trilt, hangt even in de lucht. Het brood raakt zijn lippen en valt terug op het bord.
De moeder draait zich om. ‘Wat is er?’
Hij zegt niets. Zijn schouders zakken.
De jongen stopt met tikken. Hij kijkt naar zijn vader.
‘Papa?’
De jongen staat op. Hij pakt het stuk brood, breekt het doormidden en legt de helft terug.
De vader kijkt naar het halve stuk brood.
‘Ga zitten,’ zegt hij.
De jongen gaat weer zitten.
De moeder roert in de pan.
Die openingszin bezorgt me meteen kippenvel - "Het was weer zover" belooft zoveel. De details zijn prachtig: de dampende soep, de opgestroopte mouwen, die rode handen. Je voelt de spanning aan tafel zonder dat je precies weet waarom. Knap geschreven!