
Voicemail, 02:13
Het bericht duurt veertien seconden. Ndulue weet dit omdat zijn telefoon het zegt. Maar als hij het afspeelt, lijkt het soms veel langer. Hij heeft het een keer bijgehouden op een vel papier. Eerste keer: veertien. Tweede keer: veertien. En de derde keer was het raak: zeventien. Vierde keer: weer veertien. De zeventien heeft hij toch maar weer doorgestreept.
‘Het spijt me.’ Een zucht die er moeilijk uitkomt. ‘Ik ga morgen weg. Met Tunde.’
Hij kent Tunde niet. Hij heeft Adaeze hier drie jaar over gevraagd. Ze zei elke keer: je kent hem wel, van de markt, lange Tunde, je hebt hem een keer geholpen met zijn tas. Ndulue heeft nog nooit iemand geholpen met een tas. Dat is niets tegen haar, echt niet. Het is gewoon niet gebeurd.
‘Ik weet dat je slaapt.’
Ndulue slaapt niet. Hij zit op de grond en eet koude rijst uit een pan. Wanneer er voor het laatst een uitgebreid maal op tafel heeft gestaan kan hij zich niet herinneren.
‘Bel me niet terug.’
Hij legt zijn vork neer. De rijst is op.
‘Ik wil je niet haten, Ndulue.’
Het bericht stopt. Dan begint het opnieuw. Dat doet het altijd. Hij heeft de telefoon nooit zien terugspringen maar toch begint het opnieuw. Hij heeft een keer zijn duim op het scherm gehouden tijdens de laatste zin. Tot na middernacht. Zijn duim heeft niets gedaan.
‘Ik weet dat je slaapt.’
Veertien seconden. Hij telt mee. Bij de zin over Tunde verliest hij de tel omdat hij weer aan de tas denkt. Waarom zou die gast dat ding gewoon niet even zelf dragen? Op welke markt, het stikt van de markten in de stad. Één ding weet hij zeker, er is helemaal geen Tunde.
Hij loopt naar de keuken om de rijst te wassen.