
Het is lente. Straks bloeien de seringen in de Botanische tuin weer lichtpaars, donkerpaars en wit.
Amélie herinnert zich de eerste foto’s die hij naar haar stuurde : ‘Les lilas en fleurs’ schreef hij erbij. Tijdens haar studie Slavische talen aan de Sorbonne, leert ze Angwyn kennen. Zijn naam betekent ‘erg knap’ en dat is hij ook, zowel fysiek als intellectueel. Cupido richt zijn pijltjes op hen en ze worden een paar.
Net voor de halvegare president uit het grote buurland zijn oorlog ontketent, volgt ze Angwyn en verhuizen ze naar Kiev. Parijs mag dan de lichtstad zijn, met de oogverblindende historische gebouwen en schoonheid verovert de stad al snel haar hart.
Te laat besluiten ze hun liefdesnest te ontvluchten. Rusland houdt Oekraïne in een wurggreep. Angwyn moet dienst nemen. Ze wenst hem goede moed toe en veinst dat hij nog knapper is in zijn legeruniform.
De grillige potus over de oceaan moeit zich te pas en te onpas in het conflict. Zonder ruggenspraak met de president van het aangevallen land of met zijn zogenaamde Westerse bondgenoten, denkt hij zijn dolgedraaide tegenpool in Rusland te kunnen ompraten.
De corruptie in eigen land doet Oekraïne geen goed, maar het verdedigt zich zo goed en zo kwaad het kan. De kerel in Washington denkt enkel aan zijn eigenbelang en tracht telkens gewijzigde vredesplannen door de strot te duwen van de aangevallen natie.
In haar thuisland is de populariteit danig getaand van Nathalie, de gids uit Moskou, bezongen door wijlen Gilbert Bécaud, haar wereldbefaamde landgenoot. Waar hun cultuur in Frankrijk steeds hoog stond aangeschreven, weert men tegenwoordig befaamde Russische componisten, choreografen en musici van de podia.
Een luchtalarm drijft haar naar een schuilkelder. Ze had zich voorbereid om in een donker, stinkend hol terecht te komen, maar het tegendeel is waar. Het is net of de inrichting van de kelder al lang was gepland. Overal liggen dikke tapijten op de grond en aan de muren zijn isolatiepanelen aangebracht, die het geluid van ontploffingen zoveel mogelijk moeten dempen. Er staan tientallen banken en zetels met kleurrijke kussens en wollen dekens. De zwakke noodverlichting schept een haast gemoedelijke sfeer. Amélie vleit zich neer naast een oudere man die zacht praat tegen twee kinderen. Hij heeft een prentenboek op de schoot waaruit hij voorleest. Zij herkent het boek ‘Bijbelverhalen uit het Oude Testament’, dat ook in het Frans bestaat en in vele talen vertaald werd.
Een van de kinderen verheft zijn stem: ‘Hoe kan dat, opa? Kaïn en Abel zijn toch broers. Waarom doodt Kaïn hem?’
‘Jaloezie of denken dat je beter bent dan een ander heeft al tot veel ellende geleid in deze wereld. Kijk maar wat er in ons land gebeurt. Is het omdat onze president jeugdiger en fitter is dan de eerzuchtige Poetin dat die hem wil uitschakelen? Wie zal het zeggen. Hopelijk kunnen de mensen uit het Westen hem tot redelijkheid brengen of dwingen als het niet anders kan.’
Terwijl hij dit zegt, kijkt de opa naar haar. Hij weet dat zij de Franse vriendin is van Angwyn, wiens overleden vader jarenlang met hem bevriend was. Veel Frans kent hij niet en hij heeft van haar vriend vernomen dat zij vloeiend Oekraïens praat. Toch spreekt hij haar aan in haar moedertaal en zegt: “N’est-ce pas, mademoiselle?”
Amélie antwoordt dat het hoogtijd wordt dat het Westen nog krachtdadiger ingrijpt.
‘Voor deze miserie begon, zagen we hoe jouw president alles in het werk stelde om de Russische monarch tot betere inzichten te brengen. Maar toen ze elkaar met Emmanuel en Vladimir begroetten voelde ik mij toch ongemakkelijk. Hoe kan je iemand als Poetin te vriend willen, ook al is het geveinsd?’
Ze zegt dat ze luistert naar de toespraken van de Russische en de Amerikaanse president en naar de onzin die zij uitkramen. Daarom vreest ze het ergste voor het land, voor opa en zijn kleinkinderen, voor haar liefste aan het front en de ganse noodlijdende bevolking.
‘Dit moet stoppen”’ fluistert ze, ‘alvorens de witte seringen in Kiev bloedrood kleuren.’