
Een eerste persoonlijke kennismaking met een spoedafdeling is best confronterend.
Bacteriën zijn beestjes die onaangekondigd het leven van de meest gezonde mens kunnen verzuren.
Tijdens een dagje werken in de tuin, voel ik me plots erg moe worden en besluit er mee op te houden.
‘Wat is er?’ vraagt mijn echtgenote, die merkt dat er iets niet in de haak is. Op dat moment begin ik over mijn ganse lijf te trillen en lijkt het of elke spier het begeeft. Het beven houdt op, maar ik voel mij erg zwak en ga slapen.
Na het ontwaken de volgende dag heb ik totaal geen trek in eten en merk dat mijn rechterbeen en voet opgezwollen zijn.
‘Jij moet naar de dokter’, zegt vrouwlief. De dokter van wacht stuurt mij meteen naar de spoed.
Na snelle interventies blijkt uit de onderzoeken dat het om een ernstige bacterie-infectie gaat die mij een aantal maanden in de ban gaat houden.
‘Je moet een nachtje bij ons blijven, ik ga op zoek naar een kamer voor je’, zegt de vriendelijke arts.
Er is niet een van de 1.500 bedden meteen beschikbaar, dus moet ik in een bed tussen de gordijnen van de spoeddienst doorbrengen. Ik word aan een baxter gekoppeld. Ik heb van de ganse dag niets gegeten en vraag of er nog een maaltijd beschikbaar is? Helaas kan de verpleegster niets vinden. Terwijl ik even later terugkom van een toiletbezoek heeft de schat toch wat beschuitjes, potjes jam, een yoghurtje en een kiwi op de kop kunnen tikken. Enkel de kiwi en twee lepeltjes yoghurt krijg ik naar binnen. Het vele kabaal op deze afdeling en vooral de ergernis over een verpleger die het nodig vindt om te ijsberen terwijl hij luid met een vriend aan het telefoneren is, beletten mij slaap te vatten.
Klokslag drie uur in de morgen deponeert iemand mijn spullen op bed en wordt ik ermee naar een vrijgekomen kamer gereden. Na twintig deuren en vijf liften beland ik in een tweepersoonskamer op de neurologie. Het is niet de afdeling waar ik thuishoor, maar er is niets anders beschikbaar. Ook hier beletten rare geluiden mij om in te slapen.
Amper vier uur na de rit door de gangen van het hospitaal staat de kuisploeg klaar om het bed naast mij klaar te maken voor een volgende patiënt. Om tien uur komt de man toe. Het is een ALS patiënt die tijdens een dag opname een bijzondere behandeling krijgt om de verdere uitbreiding van zijn ziekte te vertragen.
‘Ik ben vijfenveertig jaar herenkapper geweest en had me mijn pensioen heel anders voorgesteld’, vertelt de man, die voordat hij in de hypergesofisticeerde rolstoel terecht kwam, een grote knappe statige man moet geweest zijn. Hij doet zijn verhaal waarvan ik niet blijer wordt. Toch beschikt hij over een benijdenswaardig optimisme en is vastbesloten van de korte tijd die hem rest met volle teugen te genieten. Hij eet smakelijk, ook al kan hij amper zijn vork vasthouden. Ik voel mij plots al veel minder invalide en praat met hem ronduit. Na zijn behandeling neemt hij enthousiast afscheid en zegt dat ik een mooie witte haardos heb…
Na een alweer slapeloze nacht ontdek ik waar de rare nachtgeluiden vandaan kwamen. De kamer tegenover de mijne is vergrendeld. Aan het raam staat een duidelijk verdwaasde man die onophoudelijk het noodsignaal indrukt om een verpleegster te roepen. Ook zelf roept hij af en toe naar voorbijgangers. Er is ook een automatische deur stuk die bij het dichtgaan luid dicht klapt.
De tweede dag komt weer een ALS patiënt in rolstoel mij in de kamer vervoegen voor precies dezelfde ingreep als de man voordien. Ik hoor het in Keulen donderen als hij mij meedeelt dat zijn ziekte erfelijk is en dat zijn drie broers ze net als hij van hun vader hebben overgeërfd. De vader en een van de broers zijn al overleden. Ook bij deze man valt de ongelooflijke wilskracht op om te overleven.
Ik krijg een zware antibioticumkuur voorgeschreven. Mijn voet en linkerbeen wordt tot op kniehoogte stevig omzwachteld. De windel zal er ’s nachts af moeten en ’s morgens weer aan en dat gedurende een tweetal maanden.
In de late namiddag wordt ik uit het ziekenhuis ontslagen, maar begint voor mij de lijdensweg thuis. Mijn beide kamergenoten hebben mij moed geschonken en geleerd om de pijn te verbijten. Alles komt wel weer goed, wat in hun geval meer dan twijfelachtig is.
Mij een beetje lokken met een schattig teddybeertje in verband, en dan echte ziekenhuisellende over me uitstorten 😄 Prettig lezen weer, Gi. Eigen ervaring, denk ik? Goed gezegd, hoe een aanraking met ALS je eigen leed relativeert. En beterschap! (als het niet allang voorbij is)
Het lokbeertje heeft dus geholpen. Alweer goed geraden, Edwin. Het is helaas het relaas van een eigen ervaring. Daarom heb ik het onder 'column' gerangschikt. De heftige confrontatie met de ALS patiënten noopten mij hen in dit stukje eer te betuigen. Terwijl ik dit schrijf, zit ik zelf nog met een p...
Lokbeertje 😁 Beterschap, Gi!