
Het is snikheet, maar ik voel koude rillingen, sta aan de grond genageld, ik bevries nu ik hem zie.
Jarenlang deelden wij lief, leed en bed, maar toen was het voorbij. Zonder boe of bah verdween Bernard met de noorderzon. Ik had er het raden naar wat er fout liep. Gelukkig kregen wij nooit kinderen, wat volgens hem alleen aan mij lag. Hij had geen probleem met zijn voortplantingsorgaan, maar in nakomelingen was hij niet echt geïnteresseerd.
Vermits er geen huwelijk was, moest er ook niet gescheiden worden. De weinige spullen die van hem waren en zondermeer achterliet, heb ik door de kringloopwinkel laten ophalen. Het gros van de meubels en toestellen kon ik samen met de huurovereenkomst van de dure flat door een bevriend paar laten overnemen. Met twee volle koffers persoonlijke bezittingen trok ik in bij mijn inmiddels weduwnaar geworden vader. De ouderlijke woonst was sowieso te ruim voor hem alleen.
Terug thuis merkt vader dat ik mijn draai niet vind. ‘Je moet je geen zorgen maken. Het komt goed’, druk ik hem op het hart.
Hij kent mij door en door en weet wel beter: ‘Ik vind dat je er dringend tussenuit moet’, oppert hij. Op mijn verjaardag geeft hij mij een enveloppe. ‘Kijk, ik heb voor je een reisje naar Portugal geboekt. Lissabon, daar hou je toch zo van?’ Lisboa, inderdaad, Bernard en ik, hoe dikwijls struinden wij niet door onze witte stad. Nu dwaal ik hier moederziel alleen en uitgerekend hem loop ik hier tegen het lijf.
Hij is niet alleen, er loopt een beeldschone vrouw naast hem. Ik schat haar rond de dertig. Aan haar hand loopt een knulletje met pikzwarte haren. Ze stappen op tram 28. Ik weet niet wat mij bezielt, spring op dezelfde tram. Mijn zonnebril en strooien hoed houd ik op, ik wil niet herkend worden. Dom, bedenk ik, aan mijn grote boodschappentas kan men zien waar ik vandaan kom.
Na de tramrit gaat het naar een brasserie. Ik voel ik mij als een stalker en zet mij, gegeneerd, in hun nabijheid op het terras. Even ben ik afgeleid terwijl de ober mijn bestelling opneemt. Als ik terug hun richting uitkijk is het jongetje verdwenen.
Plots staat het joch aan mijn tafel. Ik bevries een tweede keer vandaag. Hij kijkt mij aan met twee helderblauwe kijkers. Ik herken dit blauw. De ogen van dit kind, van zijn kind, van hun kind.
‘Bent u alleen?’ vraagt de jongen. ‘Ik merk aan de grote rode A op uw tas dat u uit Antwerpen komt. Ik spreek een beetje flamengo.’
‘Hoe heet jij?’
‘Pablo, mijn mama heet Bernarda en mijn papa Bernardo, grappig hè?’
‘Hoe oud ben je?’
‘Ik ben acht.’
De ober is er.
‘Bom dia mevrouw. Nog een prettige dag...’, het knaapje rent terug naar zijn ouders, die druk met elkaar in de weer zijn.
‘Dag Pablo,... dag lieve Pablo.’
Ik moet hier weg, drink mijn koffie en haast mij naar buiten. Aan de uitgang kijk ik nog even achterom. Pablo wijst mij na. Ik verdwijn snel in de menigte. Uit een fadokroeg klinkt de stem van Amália Rodrigues: Triste amor, o amor de alguém, quando outro amor se tem abandonado…Ik ken dit lied Solidão van buiten: ‘…Trieste liefde, liefde van iemand in de steek gelaten voor een andere liefde…’
Hoi Gi, Ik heb je verhaal met plezier gelezen, vooral het stuk met het jongetje. Daar zit echt spanning in. Ik merkte dat ik benieuwd werd wat er gebeurt als je meer in de scène blijft en een paar dingen minder expliciet maakt. Puur als experiment heb ik de titel veranderd, en het begin en eind gesc...
Dag Jan, mijn stukje gaat niet over de stad Lissabon, maar over de eenzaamheid en de vraag waarom een relatie werd verbroken. Dat is zoek in jouw herschrijf maar niettemin bedankt om te reageren.