Toon friemelt aan het roze blaadje. Zeven jaar oud en zijn handjes trillen al. De vouw ligt scheef. Mijn kaakspieren spannen.
'Dat is niks.' Papa's woorden uit mijn mond. 'Opa verdient beter.'
Toon trekt het papier open. Een geluid als een snik. Scheur dwars door de kraanvogel. Verdomme. Ik wijs naar het gele stapeltje.
'Nieuw blaadje.'
Toon bijt op zijn lip. Ik grijp zijn schouder. Te hard. Mijn eigen zware ademhaling vult de stilte.
'Echte mannen geven niet op.'
Toon begint opnieuw. Blauw papier dit keer. Zijn vingertoppen zijn rood van het knijpen, klam van het zweet.
'Die linkervleugel hangt er bij als een dooie vis.' De woorden snijden door de stilte. Waar kwam dat vandaan? 'Opnieuw.'
Het groene blaadje valt uit zijn handjes. Hij kijkt naar me, ogen vol tranen die hij niet durft te laten vallen. Op zijn trui zit een vrolijke dinosaurus-sticker, scheef geplakt.
'Papa, het lukt niet.'
'Het moet lukken.' Mijn stem klinkt als die van papa vroeger. Koud. Hard.
Toon pakt een paars blaadje. Zijn bewegingen worden steeds sneller, wanhopiger. De ruwe rand van het gescheurde papier snijdt in zijn vingers. Ik zie mezelf, acht jaar oud, huilend over de door papa kapotgescheurde tekening.
'Waardeloos!' Papa's stem door het huis.
'Waarom ben je boos op me, papa?'
Die vraag. Jezus. Ik ben niet boos op hem. Ik ben boos op mezelf. Op papa. Op alles.
'Ik ben niet boos, jongen. Gewoon... het moet perfect zijn.'
'Waarom?'
Waarom? Omdat papa het zei. Omdat ik het geloof. Omdat ik niet anders kan.
Toon houdt op met vouwen. Kijkt me aan met die grote blauwe ogen.
'Papa, je doet me pijn.'
Ik laat zijn schouder los. Mijn hand trilt. Ik hoor zijn zachte, ingehouden snikken.
Het papier ligt verscheurd tussen ons in. Een regenboog van falen.
'Sorry, jongen.'
Toon laat het paarse papier vallen. Hij schuift achteruit op zijn stoel, weg van mij. Zijn ogen groot en nat.
'Papa?'
Maar het is te laat. Ik zie het. Die blik die ik zo goed ken.