Fabienne deed open. Geen hallo, geen glimlach. Alleen die blik: jij weer, met je zielige Whatsappjes.
'Kom binnen.'
De stoel was het eerste wat ik zag. Wit. Onverbiddelijk leer. Midden in de kamer als een altaar.
Fikkie lag op een rafelig kleed in de hoek. Zijn ogen volgden me zoals je iemand bekijkt die je plek inpikt.
Fabienne draaide zich naar hem. Haar stem was koel. Afgewogen. Als een hand die al weet waar ze gaat slaan.
'Die stoel is niet voor jou! Geen poten. Geen haren. Geen geur achterlaten. Dit is geen plek voor impuls. Begrijp je?' Ze streelde hem. 'Je verpest mooie dingen zonder dat je het doorhebt.'
Ik bleef staan.
'Ga zitten,' zei ze zonder naar mij te kijken.
Mijn lijf ging zitten voor ik wist wie er opdracht gaf.
De stoel kraakte. Alsof hij protesteerde.
Fikkie stond op. Kwispelde. Drie passen. Sprong.
Voor ik iets kon zeggen, lag hij op mijn schoot. Groot gewicht. Warme vacht. Zijn poot gleed tegen iets wat stil had moeten blijven. Hij zuchtte. Alsof dit altijd al zo bedoeld was.
Fabienne verstijfde.
Ze kwam dichterbij. Hand over de rugleuning, ogen op mij. Niet op Fikkie.
'Comfortabel?'
Ik knikte.
Ze haalde een doekje uit haar jaszak. Boog zich voorover.
'Je weet dat het niet mocht.'
'De hond?'
Ze glimlachte. Alsof ik iets grappigs zei dat ze vaker had gehoord.
Ze veegde het leer rond mij af. Traag. Zorgvuldig. Alsof ik er al een afdruk had achtergelaten die niet meer verdween.
Toen liep ze naar de hoek. Tikte op het kleed.
'Kom,' zei ze.
Fikkie sprong van mijn schoot en waggelde naar de keuken.
Ze keek me aan. Niet verwijtend. Niet uitnodigend. Iets ertussenin. Zoals moeders kijken als je iets breekt wat van hen was.
Ik stond op, ging op mijn rug op het kleed liggen.
Ze knielde naast me. Raakte me nergens aan.
'Beter,' fluisterde ze. 'Hondjes moeten hun plaats kennen.'